IkbenBint.nl

Bas-reliëf

Architectuur, Historie en Cultuur B

Definitie

Een beeldhouwtechniek of ornamentvorm waarbij de voorstelling slechts over een geringe diepte buiten het vlakke achtervlak uitsteekt.

Omschrijving

Bij een bas-reliëf blijven de afgebeelde vormen nauw verbonden met de drager. De figuren treden voor minder dan de helft van hun natuurlijke volume uit het vlak. Het is een spel van nuance. In de architectuur fungeert de wand vaak als de constructieve basis waaruit de decoratie is weggehakt of waarop deze is aangebracht, veelal toegepast bij gevelstenen, friezen en timpanen. De techniek is bij uitstek geschikt voor decoraties waarbij gewicht of ruimte beperkt zijn. Zonder strijklicht is het effect vaak minimaal; de schaduwwerking bepaalt de leesbaarheid van de voorstelling. Het is de kunst van de suggestie op het platte vlak.

Uitvoering en techniek

De realisatie van een bas-reliëf begint bij de interactie met het platte vlak. Bij subtractieve methoden, zoals bij natuursteen of hout, bepaalt de diepte van de achtergrond de uiteindelijke zichtbaarheid. Men hakt de contouren in. Eerst ruw, daarna met uiterste precisie. De vakman verwijdert materiaal rondom de getekende figuren tot een diepte die zelden meer bedraagt dan enkele centimeters, waarbij de overgang tussen de voorstelling en de achterwand vaak scherp wordt gehouden om de nodige schaduwwerking te forceren. Het is een beheerst proces van weglaten.

In de sfeer van geveldecoratie of historisch stucwerk komt vaak een additieve werkwijze kijken. Hierbij brengt men dunne lagen mortel of gips aan op de constructieve ondergrond. Laag voor laag. Deze opbouw vereist een scherp oog voor perspectief; de ruimtelijke illusie moet worden gecreëerd met minimale fysieke massa. Soms maakt men gebruik van mallen voor seriematige productie, waarbij de vloeibare massa in een negatiefvorm uithardt voordat deze tegen de wand wordt gemonteerd of direct in het natte werk wordt opgenomen. Het resultaat blijft altijd een eenheid met de drager.

De afwerking focust op de textuur van de randen. Juist daar vangt het licht de vorm. Door de randen van de figuren licht te ondersnijden, ontstaat een donkere schaduwlijn die de suggestie van volume wekt, terwijl de werkelijke dikte van het ornament beperkt blijft tot een fractie van de breedte. In de architectuurpraktijk wordt de diepte van de uitsnijding nauwgezet afgestemd op de verwachte lichtinval van de gevel, aangezien een te diepe snede de fragiele balans van het bas-reliëf verstoort en het werk transformeert richting een haut-reliëf.

Gradaties in diepte en de overgang naar hoogreliëf

Binnen de beeldhouwkunst en gevelarchitectuur is de grens tussen verschillende reliëfvormen vaak een kwestie van millimeters. Een uiterste vorm van het bas-reliëf is het stiacciato. Deze techniek, beroemd geworden door renaissancemeesters, is zo extreem plat dat de dieptewerking bijna volledig afhankelijk is van perspectivische lijnen en minimale inkepingen. Het is tekenen in steen. Wanneer de figuren echter verder naar voren treden en ongeveer de helft van hun natuurlijke volume buiten het vlak uitsteken, spreken we van een mezzo-reliëf. Dit vormt de brug naar het haut-reliëf (hoogreliëf), waarbij de voorstelling voor meer dan driekwart loskomt van de achtergrond en soms zelfs volledig vrijstaande onderdelen bevat. In de bouwkunst wordt de keuze tussen deze varianten meestal ingegeven door de kijkafstand; een bas-reliëf op ooghoogte vraagt om subtiliteit, terwijl een hoogreliëf op een grote hoogte van de gevel juist de nodige leesbaarheid garandeert door de zware slagschaduwen.

Het contrast met verdiept reliëf

Een wezenlijk andere benadering is het verdiept reliëf, ook wel bekend onder de Franse term reliëf-en-creux of de term incisie-reliëf. Waar bij een bas-reliëf het omringende vlak wordt weggehakt om de figuren te laten 'stijgen', blijft bij de verdiepte variant de oorspronkelijke oppervlakte van de steen of het paneel intact. De voorstelling wordt simpelweg in het materiaal uitgehold. De contouren vormen diepe geulen die schaduw vangen. Deze methode zie je vaak terug bij inscripties in gedenkstenen of bij de decoratie van prefab betonelementen, waarbij de tekening in de bekisting wordt uitgespaard. Het is functioneel. Het is vlak. De architectonische integriteit van de wand blijft hierdoor visueel ononderbroken, in tegenstelling tot het bas-reliëf dat de wand een tastbare textuur en een zekere plasticiteit verleent.

Praktische toepassingen en situaties

Stel je een wandeling voor door een historische binnenstad. Boven de voordeur van een zeventiende-eeuws pand prijkt een gevelsteen met een afbeelding van een zeilschip. De masten en zeilen steken slechts twee centimeter uit het stenen vlak. Toch zie je elk touw. Dit is een klassiek bas-reliëf; de voorstelling is onlosmakelijk verbonden met de gevelsteen en de diepte is minimaal. De schaduw die de avondzon werpt, maakt de details pas echt zichtbaar voor de toeschouwer.

In de moderne woningbouw kom je de techniek tegen bij prefab betonnen gevelelementen. Een architect kiest bijvoorbeeld voor een subtiel bladerpatroon dat in de bekisting is meegegoten. Geen zware ornamentiek. De verhoging bedraagt vaak niet meer dan vijf tot tien millimeter. Het geeft de gevel textuur zonder de strakke lijnvoering van het gebouw te doorbreken. Het beton blijft visueel een eenheid, maar krijgt door de lichtinval een tactiele kwaliteit.

Binnenshuis is de techniek zichtbaar in klassiek stucwerk. Denk aan een fries vlak onder het plafond. Een krans van laurierbladeren loopt rondom de kamer. De bladeren lijken op de muur te liggen, maar ze zijn er onderdeel van. Ze steken niet ver uit, waardoor de kamer niet optisch verkleint. Juist bij indirecte verlichting, zoals van een wandlamp, komen de contouren van het gipswerk tot leven. Het is decoratie die de ruimte verrijkt zonder deze fysiek te beperken.

Juridische kaders en normering

De juridische status van een bas-reliëf is onlosmakelijk verbonden met de drager. Bij historische panden dicteert de Erfgoedwet de omgang met deze ornamentiek. Vergunningvrij herstel is zelden toegestaan. Is de gevelsteen of het stucwerk onderdeel van een rijks- of gemeentelijk monument? Dan geldt een strikt regime voor onderhoud en restauratie. Het simpelweg overschilderen of reinigen van een eeuwenoud reliëf kan de historische leesbaarheid onherstelbaar beschadigen en is daarom vaak vergunningplichtig.

Bij eigentijdse toepassingen speelt de Omgevingswet een centrale rol. Welstand. De lokale welstandscommissie beoordeelt of de vormentaal en de diepte van het reliëf passen in het straatbeeld. Een bas-reliëf verandert immers de schaduwwerking en daarmee het karakter van de gevel. Bovendien moet de technische uitvoering, zeker bij additieve elementen, voldoen aan de algemene veiligheidseisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL). Verankering is cruciaal. Een ornament mag onder geen beding losraken en een risico vormen voor voorbijgangers. Hoewel er geen specifieke NEN-norm bestaat die de artistieke kwaliteit van een reliëf voorschrijft, vallen de gebruikte materialen zoals prefab beton of natuursteen wel onder de reguliere materiaalnormen en de eisen voor duurzaamheid van gevelconstructies.

Historische ontwikkeling en architectonische context

De oorsprong van het bas-reliëf ligt in de vroege beschavingen van Mesopotamië en Egypte. Hier diende de techniek als visueel archief van macht en religie, vaak uitgevoerd in kalksteen of klei. De Griekse architectuur tilde de vorm naar een constructief niveau. Denk aan de friezen van het Parthenon. Het was een methode om gebouwen te bezielen zonder de dragende structuur visueel te verzwakken. De Romeinen namen dit over. Zij gebruikten het vooral voor triomfbogen en herdenkingszuilen, waarbij de narratieve kracht van de afbeelding centraal stond.

In de middeleeuwen verschoof de focus naar de religieuze instructie. Romaanse kerken benutten kapitelen en timpanen voor bijbelverhalen. De figuren waren nog gedrongen en stijf. De echte technische revolutie voltrok zich echter in de vijftiende eeuw. Donatello introduceerde het stiacciato. Een flinterdunne weergave. Deze verfijning stelde architecten in staat om diepte te suggereren op gevels waar fysieke ruimte voor zware ornamentiek simpelweg ontbrak. Het werd een intellectueel spel met perspectief.

De negentiende eeuw bracht industrialisatie. Gips en gietijzer vervingen de beitel van de individuele steenhouwer. Decoratie werd serieproductie. Toegankelijker voor de groeiende burgerij. In de vroege twintigste eeuw, tijdens de hoogtijdagen van de Art Deco, transformeerde het bas-reliëf opnieuw. De vormentaal werd geometrisch. Gestileerd. Het was niet langer louter een afbeelding, maar een ritmische herhaling die de verticaliteit van de moderne architectuur benadrukte. Vandaag de dag is het ambacht grotendeels geëvolueerd naar digitale freestechnieken en prefab betonmallen. De basiswetten van licht en schaduw blijven echter onveranderd.

Meer over architectuur, historie en cultuur

Ontdek meer termen en definities gerelateerd aan architectuur, historie en cultuur