Berkoen
Definitie
Een berkoen is een horizontale dwarsbalk die ter ondersteuning en stabilisatie aan weerszijden van een steekgewelf of steekkap wordt geplaatst.
Omschrijving
Toepassing en uitvoering
De montage in de constructie
Plaatsing luistert nauw. Eerst wordt de exacte snijlijn bepaald tussen de hoofdstructuur en het steekgewelf of de steekkap. De berkoen wordt horizontaal ingebracht op de plek waar de krachtenconcentratie het hoogst is, meestal direct ter hoogte van de aanzet van de gewelfvlakken. Inmetselen is bij steenconstructies de standaard. De koppen van de balk verdwijnen diep in het omliggende muurwerk. Daar rusten ze vaak op een kraagsteen of in een vooraf vrijgehouden nis, ook wel een kas genoemd. Geen beweging meer mogelijk.
Bij houten kapconstructies verloopt de integratie anders; hier wordt de balk met zware houtverbindingen, zoals een dubbele pen-en-gatverbinding of via gesmede ijzeren beugels, vastgezet aan de hoofdbalken of de muurplaten. Eenmaal gefixeerd, vormt de balk het ankerpunt voor de verdere opbouw. De zijwaartse druk die anders de muren naar buiten zou duwen, wordt nu opgevangen door de stijfheid van deze dwarsverbinding. Het nivelleren gebeurt met uiterste precisie. Een berkoen die niet volledig waterpas ligt, verdeelt de last ongelijkmatig, wat op termijn scheurvorming in het gewelfvlak veroorzaakt. Tijdens de bouw van een gewelf fungeert de balk tevens als tijdelijke steun voor het formeelwerk, waarna het na het uitharden van de mortel zijn definitieve constructieve rol als trek- of drukelement overneemt.
Typen en terminologische nuances
Praktijksituaties
Stel je een middeleeuwse kloosterkelder voor. Een zwaar tongewelf overspant de ruimte, maar voor de lichtinval zijn er kleine nissen met ramen gecreëerd. Deze nissen snijden als steekgewelven in het hoofdglooiing van het plafond. Precies op het snijpunt, daar waar de spanningen in het baksteenwerk het grootst zijn, tref je de berkoen aan. Een robuuste, eikenhouten balk die horizontaal in de muur is verankerd. Geen decoratie, maar pure noodzaak om te voorkomen dat de hoeken van de raamnis gaan scheuren onder het enorme gewicht van de bovenliggende structuur.
In de kapconstructie van een historisch grachtenpand kom je een vergelijkbare situatie tegen. Je staat op de vliering. De hoofdkap heeft stevige gordingen, maar er is een grote dakkapel of steekkap geplaatst voor meer ruimte. De berkoen vormt hier de cruciale dwarsverbinding. Je herkent hem direct: een afwijkende, zware balk die haaks op de kaprichting ligt. Hij vangt de spatkrachten op die ontstaan doordat de reguliere muurplaat of gording is onderbroken. Zonder deze balk zou de zijwaartse druk de muren naar buiten kunnen duwen. Het is het anker van de constructie.
- Een gemetselde nis in een kerk waar een zijbeuk aansluit op het middenschip.
- De versteviging bij een houten 'ossen oog' (rond dakvenster) in een klassieke mansardekap.
- De zware stutbalk in een traditionele bierkelder waar kleine gewelven elkaar kruisen.
Wetgeving en constructieve normen
Bij gemetselde steekgewelven speelt NEN-EN 1996 een rol voor de toetsing van het metselwerk. Deze normen waarborgen dat de horizontale spatkrachten die de berkoen opvangt, ook daadwerkelijk door de omliggende constructie gedragen kunnen worden. Geen nattevingerwerk. Voor restauratieprojecten is een omgevingsvergunning vaak vereist. Hierbij moet de constructieve berekening de berkoen als essentieel stabiliteitselement identificeren. Het voldoen aan de geldende brandveiligheidseisen uit het BBL is eveneens een factor bij blootliggende houten constructies in vluchtwegen. Stabiliteit moet gegarandeerd blijven, ook bij calamiteiten.
Historische ontwikkeling en oorsprong
De berkoen vindt zijn oorsprong in de laatmiddeleeuwse noodzaak om complexe gewelfsnijdingen te stabiliseren. In de dertiende en veertiende eeuw, toen de gewelfbouw in de Lage Landen een vlucht nam, zochten bouwmeesters naar methoden om de horizontale spatkrachten van steekgewelven te neutraliseren. Men greep naar eikenhout. Zwaar. Massief. De techniek was destijds puur empirisch. Ervaring dicteerde de afmeting. In de zestiende eeuw verschoof de toepassing meer richting de kapconstructies van stedelijke woonhuizen, waar de berkoen een cruciale rol kreeg bij het opvangen van krachten bij onderbroken muurplaten voor dakkapellen.
De term zelf kende een late codificatie in de Nederlandse bouwkunde. Pas in technische traktaten uit de vroege twintigste eeuw, zoals rond 1914, werd de berkoen als specifiek bouwkundig onderdeel vastgelegd. Voorheen overlapte de terminologie vaak met algemene stutten of zware balken. De etymologische kruisbestuiving met de scheepsbouw is hierbij leidend geweest; de behoefte aan robuuste dwarsverbindingen op zeeschepen en in diepe kelders vroeg om identieke constructieve oplossingen. Met de opkomst van industriële zagerijen in de negentiende eeuw veranderde het materiaalgebruik. De ambachtelijke, handgekapte balk werd langzaam verdrongen door gestandaardiseerde vuren of grenen varianten. De functie bleef echter ongewijzigd. Stabilisatie was en is de enige prioriteit. De overgang naar moderne berekeningsmethodieken in de twintigste eeuw zorgde ervoor dat de berkoen van een 'op het oog' geplaatste balk transformeerde naar een exact berekend onderdeel van de krachtenhuishouding.
Meer over bouwkundige onderdelen en toebehoren
Ontdek meer termen en definities gerelateerd aan bouwkundige onderdelen en toebehoren