Ikbenbint.nl

campanile

Architectuur, Historie en Cultuur C

Definitie

Een campanile is een klokkentoren die meestal losstaat van het hoofdgebouw, zoals een kerk.

Omschrijving

De term 'campanile' komt uit het Italiaans, afgeleid van 'campana', wat klok betekent. Campaniles zijn vaak te vinden in Italië en worden gekenmerkt door hun vrijstaande positie ten opzichte van het bijbehorende gebouw. Bekende voorbeelden zijn de Scheve Toren van Pisa en de Campanile van San Marco in Venetië. Ook in Nederland, met name in Groningen, komen losstaande kerktorens voor. Naast de functie als klokkentoren, konden campaniles in het verleden ook andere rollen vervullen, zoals wacht- of vuurtoren.

Uitvoering

De bouw van een campanile begint doorgaans met een fundering die dieper en breder wordt aangelegd dan bij een reguliere kerktoren, omdat de toren volledig op eigen kracht moet staan. Zeker bij historische exemplaren, zoals die in Pisa, was het grondverzet bepalend voor de stabiliteit op lange termijn. De toren zelf wordt opgetrokken in opeenvolgende geledingen, vaak met een vierkante of ronde plattegrond. De klokkenverdieping bevindt zich vrijwel altijd in het bovenste deel, waar de openingen groter zijn, zodat het geluid zich ongehinderd kan verspreiden. Bij vrijstaande torens lag het zwaartepunt hoger, en om kantelen te voorkomen werd er in sommige gevallen gekozen voor een lichtere bovenbouw of een smaller wordende diameter naar boven toe. Opvallend is dat de bouwmethodiek in de middeleeuwen niet veel verschilde van die van de kerk zelf. Het metselwerk werd in horizontale lagen opgetrokken, en waar de ondergrond zwak was, gebruikte men houten heipalen onder de fundering. De verbindingen tussen de geledingen werden vaak gemarkeerd door lijsten of kozijnbanden, die het ritme van de gevel accentueren. In Nederland, met name in Groningen, zijn campaniles soms later toegevoegd aan bestaande kerkgebouwen. Dat bracht een ander probleem met zich mee: de nieuwe toren moest zo worden gepositioneerd dat hij het zicht op de kerk niet volledig ontnam, maar toch een zelfstandige en stevige eenheid vormde. De wijze waarop de klokken werden opgehangen varieerde. In sommige campaniles hingen de klokken vast in een houten klokkenstoel die in het metselwerk was ingebed. Elders koos men voor een vrijdragende constructie van gietijzer of staal, die meer ruimte liet voor de klank. Dat laatste is vooral bij restauraties in de negentiende en twintigste eeuw toegepast. Waar het om een wachttoren ging, werd het bovenste gedeelte soms voorzien van een uitkijkplatform, bereikbaar via een wenteltrap in de kern van de toren. Die kern was dan vaak dikker van opzet, met smallere vensters dan bij de klokkenverdieping.

Oorzaak en gevolg

Een vrijstaande klokkentoren is per definitie kwetsbaarder dan een toren die tegen een kerkgebouw aanleunt. Dat zit hem in de constructie: een campanile moet al het gewicht zelf dragen, zonder steun van aangrenzend metselwerk. Bij ongelijke zetting van de fundering ontstaat al snel een scheefstand. De toren van Pisa is daar het beroemdste voorbeeld van, maar ook elders in Italië staan campaniles die zichtbaar uit het lood zijn geraakt.

De ondergrond speelt daarbij een cruciale rol. Veel historische campaniles staan op slappe grondlagen, zoals zand of klei, die onder het gewicht van de toren ongelijkmatig worden samengedrukt. De ene kant zakt sneller dan de andere, waardoor de toren begint te kantelen. Naarmate de scheefstand toeneemt, verplaatst het zwaartepunt zich verder van het midden, wat het kantelende effect alleen maar versterkt. Zonder ingrijpen kan dat uiteindelijk leiden tot instabiliteit of zelfs bezwijken.

Ook het metselwerk zelf kan problemen opleveren. Bij oudere campaniles is vaak gebruikgemaakt van baksteen of natuursteen met kalkmortel, die na verloop van tijd kan uitspoelen of afbrokkelen. Dat geldt vooral voor de hoger gelegen delen, waar wind en regen vrij spel hebben. Scheuren in het metselwerk zijn dan een signaal dat er sprake is van spanningen, bijvoorbeeld door thermische uitzetting of door trillingen van de klokken. Die trillingen veroorzaken op den duur microscheuren in de voegen, die weer vocht toelaten.

Vocht is een sluipmoordenaar voor campaniles. Doordat de toren vrij staat, wordt hij van alle zijden belast door regen en opstijgend grondwater. Bij vorst kan dat water in de poriën van het metselwerk uitzetten, met vorstschade tot gevolg. Vooral bij torens die ooit zijn gerestaureerd met cementhoudende mortel, ontstaan dan problemen: die mortel is harder dan het oorspronkelijke metselwerk, waardoor het vocht niet meer goed kan verdampen en juist dieper in het metselwerk trekt.

De klokkenverdieping is vaak het eerste deel dat tekenen van verval vertoont. Het open karakter van die bouwlaag maakt dat wind, regen en vogels er relatief makkelijk bij kunnen. Na verloop van tijd raken de lateien boven de galmgaten vermoeid, vooral als ze zijn uitgevoerd in natuursteen of hout. Dat kan leiden tot scheefstand van de openingen en in het ergste geval tot uitval van metselwerk. In combinatie met de dynamische belasting van de luidende klokken is dat een risico dat bij geen enkele campanile mag worden onderschat.

Soorten en varianten

De campanile kent grofweg twee hoofdtypen: de losstaande toren en de toren die weliswaar vrijstaat, maar oorspronkelijk onderdeel uitmaakte van een groter complex. In Italië is het eerste type veruit het meest gangbaar, met beroemde voorbeelden als de toren van Pisa en die van San Marco in Venetië. In Nederland, vooral in de provincie Groningen, vind je vrijstaande kerktorens die onder dezelfde noemer vallen. Die Groningse exemplaren, zoals de toren van de Der Aa-kerk, worden in de volksmond ook wel losse toren of gewoon toren genoemd, maar functioneren feitelijk als campanile.

Een belangrijk onderscheid zit in de bouwvorm. Veel campaniles hebben een vierkante plattegrond, maar er zijn ook ronde exemplaren. Ronde torens zijn zeldzamer en komen vooral voor in Noord-Italië. De opbouw verschilt eveneens: sommige torens versmallen naar boven toe in duidelijke geledingen, andere lopen vrijwel recht omhoog met alleen een bekroning van kantelen of een spits.

Qua functie valt er ook een scheiding aan te brengen. De klassieke campanile diende puur als klokkentoren. Maar er waren varianten die tegelijkertijd fungeerden als wachttoren of uitkijkpost, vooral in steden met een strategische ligging. Die torens hebben vaak kleinere openingen en een zwaardere kern, omdat ze bestand moesten zijn tegen een belegering. Een derde variant is de campanile die onderdeel uitmaakt van een klooster of stadspaleis, waarbij de toren weliswaar vrijstaat maar duidelijk op het complex is betrokken. Die exemplaren zijn vaak kleiner en minder hoog dan de grote stadstoren.

Een term die geregeld verward wordt met campanile is belfort. Het verschil zit hem in de oorsprong: een belfort is een middeleeuwse stadstoren, vaak onderdeel van een stadhuis of hal, en diende als symbool van stedelijke macht. De klokken in een belfort waren meestal bedoeld om de burgerij op te roepen, niet voor religieuze doeleinden. Een campanile hoort daarentegen bij een kerk en heeft van oudsher een liturgische functie, ook al kon de toren in geval van nood dienstdoen als uitkijk- of seintoren.

Voorbeelden in de praktijk

Je staat op de Piazza dei Miracoli in Pisa en ziet de beroemde scheve toren. Die staat niet vast aan de kathedraal ernaast, maar een paar meter verderop. Dat is een campanile in zijn meest klassieke vorm: een vrijstaande klokkentoren die volledig op eigen kracht balanceert.

In Venetië werkt het net zo. Het San Marcoplein wordt gedomineerd door de hoge campanile, los van de basiliek. Hij is vooral bekend als uitkijkpunt, maar zijn primaire functie is het luiden van de klokken. Vroeger kondigde een specifieke klok het openen van de markt aan, een andere het begin van de senaatsvergadering.

Nederland kent het fenomeen ook. In Groningen staat de Martinitoren, de oudste van de stad, los van de Martinikerk. Toeristen noemen hem vaak gewoon de Martinitoren, maar bouwkundig gezien is het een campanile. De toren van de Der Aa-kerk in dezelfde stad is een ander voorbeeld: vrijstaand, met een vierkante plattegrond, en hij doet dienst als klokkentoren terwijl de kerk zelf geen toren heeft.

In de praktijk kom je campaniles dus tegen op plekken waar de ondergrond of de bouwgeschiedenis het onmogelijk maakte om de toren tegen de kerk aan te bouwen. Of waar de toren simpelweg later is toegevoegd en er geen ruimte was om hem aan het bestaande gebouw te verbinden.

Wet- en regelgeving

Voor campaniles geldt geen specifieke wetgeving die alleen op dit type toren van toepassing is. De relevante regels komen voort uit bredere kaders voor erfgoed en bouwconstructies.

Rijksmonumenten, waartoe de meeste historische campaniles in Nederland behoren, vallen onder de Erfgoedwet. Die wet regelt onder meer de bescherming van monumenten en de vergunningplicht voor wijzigingen. Een restauratie van een campanile vraagt dan ook om een omgevingsvergunning, waarin de Monumentenwet voorheen was opgenomen en die nu onder de Omgevingswet valt. Gemeenten toetsen of ingrepen het monument niet aantasten.

Daarnaast zijn er technische richtlijnen relevant, met name voor constructieve veiligheid. De NEN 8700-serie gaat over de beoordeling van bestaande bouwconstructies, en die wordt bij vrijstaande torens vaak toegepast. Bij een campanile spitst dat zich toe op stabiliteit, fundering en dynamische belasting door klokken in beweging. De trillingen die het luiden veroorzaakt, vormen namelijk een ander belastingspatroon dan bij gewone gebouwen.

Voor nieuwbouw van een campanile is het Bouwbesluit van toepassing, met eisen voor constructieve veiligheid, gebruik en toegankelijkheid. Historische exemplaren zijn daaraan niet gehouden, maar bij een functiewijziging of ingrijpende verbouwing kunnen onderdelen van de regels alsnog gaan gelden.

Geschiedenis

De oorsprong van de campanile ligt in Noord-Italië, waar vanaf de zesde eeuw vrijstaande klokkentorens bij kerken verrezen. Ravenna geldt als een van de vroegste centra; de toren van de Sant'Apollinare Nuovo dateert uit die vroege periode. Het concept verspreidde zich daarna over het Italiaanse schiereiland, met name in steden als Venetië en Pisa, waar de torens uitgroeiden tot zelfstandige bouwwerken met een eigen architectonische logica.

De vroege exemplaren waren robuust en gesloten van karakter, met weinig openingen en een duidelijke militaire uitstraling. Pas vanaf de elfde eeuw ontstond het type dat we nu herkennen: een slankere toren met meerdere geledingen, waarin de klokkenverdieping zich bovenaan bevindt. Deze ontwikkeling viel samen met de opkomst van de romaanse bouwstijl, waarbij verticaliteit en ritmische geledingen centraal stonden. De toren van San Marco in Venetië, waarvan de huidige vorm teruggaat op een reconstructie uit 1912, is het bekendste voorbeeld van dit latere type.

In de loop van de middeleeuwen kreeg de campanile ook een civiele functie. Torens werden gebruikt als uitkijkpost, seinpost of zelfs als vuurtoren in kuststeden. Die functievermenging was in Italië gebruikelijker dan in Noord-Europa, waar kerktorens meestal tegen de kerk waren aangebouwd. De losstaande toren bleef daardoor een typisch Italiaans fenomeen, al zijn er uitzonderingen zoals de Groningse kerktorens, die vanaf de dertiende eeuw om praktische redenen los van het schip werden gebouwd, de slappe ondergrond maakte een aangebouwde toren risicovol.

De bloeitijd van de campanile lag tussen de elfde en zestiende eeuw. Daarna nam de bouw van nieuwe exemplaren af, vooral omdat de architectuur zich meer ging richten op gevels en koepels dan op losse torens. In de negentiende eeuw ontstond echter een heropleving. De romantische belangstelling voor de middeleeuwen leidde tot neostijlen waarin campaniles opnieuw werden opgetrokken, soms als onderdeel van nieuwbouwkerken. Ook restauraties van bestaande torens kregen in die periode een impuls; de toren van San Marco werd na de instorting in 1902 in oorspronkelijke vorm herbouwd, wat het belang van het type als cultureel erfgoed onderstreepte.

De twintigste eeuw bracht een nieuwe functie: campaniles werden toegepast in moderne architectuur, niet langer gebonden aan kerken. Denk aan klokkentorens bij gemeentehuizen of universiteitsgebouwen, die dezelfde vrijstaande opzet gebruiken maar zonder religieuze betekenis. Die ontwikkeling laat zien dat de campanile als bouwtype zijn oorspronkelijke context heeft overleefd en in gewijzigde vorm nog steeds wordt toegepast.

Veelgestelde vragen

Een campanile is een klokkentoren die meestal losstaat van het hoofdgebouw, zoals een kerk.

De term 'campanile' komt uit het Italiaans, afgeleid van 'campana', wat klok betekent.

Naast de functie als klokkentoren, konden campaniles in het verleden ook andere rollen vervullen, zoals wacht- of vuurtoren.
Link gekopieerd!

Meer over architectuur, historie en cultuur

Ontdek meer termen en definities gerelateerd aan architectuur, historie en cultuur