Dakgording
Definitie
Een horizontale balk in een hellend dak die de krachten van het dakvlak en de dakbedekking overbrengt naar de verticale hoofddraagconstructie, zoals muren of spanten.
Omschrijving
Uitvoering en montage
De installatie van dakgordingen vangt aan bij het nauwkeurig uitzetten van de hart-op-hart maten op de dragende constructieonderdelen. Deze balken worden horizontaal overgespannen tussen de eindgevels, tussenmuren of de hellende benen van de dakspanten. Bij in de muur opgelegde gordingen worden sparingen in het metselwerk vrijgehouden of naderhand ingehakt, waarbij de balkkoppen vaak onder een schuine hoek worden afgekort voor een betere vochthuishouding en ventilatie. Rusten de gordingen op houten spanten? Dan worden ze doorgaans geborgd met houten klampen.
Deze klampen, kleine blokken hout die op het spantbeen zijn bevestigd, vangen de neerwaartse druk op en verhinderen dat de gording gaat kantelen onder het gewicht van de dakbedekking. Bij grote daklengtes is het koppelen van balken onvermijdelijk. Men voert deze verbindingen, zoals een schuine las of een liplas, bij voorkeur uit exact boven een steunpunt om de constructieve integriteit te waarborgen. De gordingen worden zodanig uitgelijnd dat de bovenkant van de balken één vloeiend vlak vormt. Dit is cruciaal. Een kleine maatafwijking veroorzaakt immers direct golvingen in het dakbeschot.
In de moderne praktijk ziet men vaak dat gordingen niet meer los worden geplaatst maar integraal onderdeel uitmaken van prefab dakelementen. Toch blijft bij traditionele kapconstructies de handmatige montage dominant, waarbij de balken een voor een op hoogte worden gebracht en verankerd. Zodra het geraamte van gordingen stabiel staat, fungeert dit als de primaire basis voor de verdere afwerking met sporen, isolatieplaten of dakbeschot.
Classificatie naar positie en functie
De naamgeving van een dakgording hangt nauw samen met de plek in de kapconstructie. De nokgording vormt het hoogste punt waar de dakvlakken samenkomen. Een cruciale balk. Lager in het dakvlak bevinden zich de tussengordingen, die de grootste last van het dakbeschot dragen. Helemaal onderaan, nabij de dakvoet, ligt de voetgording of muurgording. Deze rust vaak direct op de muurplaat of wordt met ankers in het metselwerk gefixeerd. In sommige regio's spreekt men bij de onderste gording ook wel van een zandgording, al is die term minder gangbaar in de moderne utiliteitsbouw.
De onderlinge afstand tussen deze horizontale liggers is niet willekeurig. De hart-op-hart maat wordt bepaald door de doorbuigingseisen van het dakbeschot. Hoe dunner de dakplaten, hoe dichter de gordingen bij elkaar kruipen. Een strak stramien is essentieel voor een vlak dak.
Materiaalvarianten en industriële toepassingen
Traditioneel voert massief naaldhout de boventoon. Vuren met een C18 of C24 classificatie. Toch ziet men steeds vaker alternatieven. Gelamineerde liggers (glulam) bijvoorbeeld. Deze zijn vormvast en maken grotere overspanningen zonder tussensteunpunten mogelijk. Voor zeer grote overspanningen in de hallenbouw wijkt men uit naar staal. Hier zijn de Z-gordingen en C-profielen de standaard. Deze koudgewalste profielen zijn licht van gewicht maar extreem stijf door hun specifieke vormgeving. De overlap bij de steunpunten zorgt bij Z-profielen voor een doorlopende liggerwerking, wat de constructie efficiënter maakt.
- Massief vuren (standaard woningbouw)
- Gelamineerd hout (grote vrije overspanningen)
- Stalen Z- en C-profielen (industriebouw en loodsen)
- LVL (Laminated Veneer Lumber) voor slanke, hoge belastingen
Onderscheid met gerelateerde termen
Verwarring met sporen ligt op de loer. Het verschil is echter fundamenteel: de richting. Gordingen liggen horizontaal en overspannen de ruimte tussen muren of spanten. Sporen lopen juist verticaal, van de nok naar de goot. In een zuivere gordingenkap rusten de dakelementen of het dakbeschot direct op de gordingen. Bij een sporekap is de logica omgekeerd; daar vormen de verticale sporen de hoofddraagconstructie en dienen horizontale latten slechts voor de pannen.
Soms ziet men hybride vormen. Een gordingenkap waarbij op de gordingen weer sporen worden aangebracht voor extra ventilatieruimte of isolatiedikte. In dergelijke gevallen fungeren de gordingen als de primaire gordingen en de sporen als secundaire laag.
Praktijksituaties en visuele herkenning
Stel je een zolderrenovatie voor in een woning uit de jaren '70. Je wilt gipsplaten aanbrengen tegen de schuine kap. Die dikke, horizontale balken die halverwege de hoogte uit het dakvlak steken? Dat zijn de gordingen. Ze fungeren in dit geval als het natuurlijke regelwerk voor de afwerking. Soms hangt er een bokszak aan. Vaak vormen ze de basis voor een kleine vlieringvloer.
Loop eens door een nieuwe woonwijk in aanbouw. Prefab dakelementen worden met een kraan op de muren gehesen. De gordingen zitten in deze elementen verwerkt. Je ziet ze alleen nog aan de koppen. Deze rusten vaak in stalen raveeldragers aan de kalkzandsteen wanden. Snelheid en precisie op de bouwplaats. Een strak lijnenspel.
In een grote landbouwloods zie je het contrast. Geen hout. Hier zie je koude, stalen Z-profielen die de enorme afstand tussen de spanten overbruggen. Hierop liggen de golfplaten. De gordingen vangen de klappen op van een zware najaarsstorm die vol op het dakvlak beukt. Zonder deze liggers zou het dak direct bezwijken. Bij een dakkapel wordt het pas echt zichtbaar. De aannemer moet de gording doorzagen en de krachten opvangen met een raveelconstructie. Een secuur werkje waarbij de constructieve functie van de balk pijnlijk duidelijk wordt.
Normering en regelgeving voor gordingen
Constructieve kaders en Eurocodes
Constructieve veiligheid is geen suggestie. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) stelt de dwingende kaders voor de fundamentele eisen waaraan een draagconstructie moet voldoen. De dakgording valt direct onder deze regelgeving. Voor de technische uitwerking hiervan zijn de Eurocodes bepalend. NEN-EN 1991 (Eurocode 1) is hierbij het vertrekpunt; deze norm definieert de belastingen die op het dakvlak inbeuken, zoals de veranderlijke sneeuwlast en de winddruk die per regio en gebouwhoogte verschilt.
Houten gordingen worden getoetst aan NEN-EN 1995 (Eurocode 5). Deze norm schrijft voor hoe de sterkte en stijfheid van hout moeten worden berekend. Geen nattevingerwerk. De berekening moet aantonen dat de gording niet bezwijkt, maar ook dat de doorbuiging beperkt blijft om schade aan de dakbedekking of het plafond te voorkomen. Voor stalen gordingen, zoals de Z- en C-profielen in de hallenbouw, verschuift de blik naar NEN-EN 1993 (Eurocode 3).
Kwaliteitsborging. Bij de toepassing van massief hout is de sortering cruciaal. Hout moet voorzien zijn van een CE-markering en voldoen aan de visuele of machinale sortering volgens NEN 5466, waarbij sterkteklassen zoals C18 of C24 de norm zijn. Wordt een gording ingrijpend aangepast of doorgezaagd voor een dakkapel? Dan is de constructieve integriteit opnieuw in het geding. Volgens de wetgeving moet dan aangetoond worden dat de gewijzigde constructie nog steeds voldoet aan de minimale veiligheidsniveaus van het BBL. Een bouwmelding of vergunning is in zulke gevallen vaak vereist om toezicht op deze constructieve berekeningen mogelijk te maken.
Van sporen naar liggers
Hout was schaars, de ruimtebehoefte groeide. In de vroege bouwkunst van de Lage Landen domineerde de sporenkap. Een woud van verticale stijlen, dicht op elkaar. Pas toen men zwaardere horizontale balken begon toe te passen, ontstond de gordingenkap. Een bevrijding van de plattegrond. Eiken stammen, met de hand vierkant gehakt en gemarkeerd met telmerken, vormden de basis voor de monumentale kappen in onze historische binnensteden. Geen complexe rekenmodellen destijds. Intuïtie en traditie bepaalden de overspanning.
De negentiende eeuw sloeg een gat in dit ambacht. De stoomzagerij deed zijn intrede. Ineens was vurenhout uit Scandinavië in gestandaardiseerde maten overal beschikbaar. Balken werden voorspelbaar. De constructeur nam het stokje over van de timmerman die op het gevoel bouwde. De constructie werd slanker, lichter en efficiënter. De zware gebintconstructies maakten plaats voor muren van metselwerk die de gordingen direct konden dragen.
Industrialisatie en de verdwijntruc
In de twintigste eeuw onderging de gording een gedaanteverwisseling. De opkomst van de utiliteitsbouw vroeg om nog grotere overspanningen zonder tussenmuren. Staal bood de oplossing. Koudgewalste Z- en C-profielen vervingen de houten balk in fabriekshallen en loodsen. Lichtgewicht krachtpatsers. Vandaag de dag is de gording in de woningbouw vaak een onzichtbaar element geworden. Hij zit opgesloten in prefab-sandwichpanelen of kant-en-klare dakelementen. Van een prominente, zichtbare balk naar een verborgen constructieve kern. De functie is echter nooit veranderd: de gording blijft de onmisbare horizontale schakel die het dakvlak overeind houdt tegen de druk van wind en sneeuw.
Meer over constructies en dragende structuren
Ontdek meer termen en definities gerelateerd aan constructies en dragende structuren