IkbenBint.nl

Ganggesteente

Bouwmaterialen en Grondstoffen G

Definitie

Stollingsgesteente gevormd door magma dat stolt in gangen of spleten onder het aardoppervlak, gekenmerkt door een kristalstructuur die tussen dieptegesteente en uitvloeiingsgesteente in ligt.

Omschrijving

Ganggesteente, ook wel hypabyssaal gesteente genoemd, ontstaat wanneer magma de weg naar het oppervlak zoekt maar vastloopt in breuken of verticale dikes en horizontale sills. De afkoeling gaat hier sneller dan bij een diepgelegen magmareservoir, maar aanzienlijk trager dan bij lava die aan de lucht blootgesteld wordt. Het resultaat is een textuur die vaak porfirisch is: grotere kristallen die met het blote oog zichtbaar zijn, drijven in een veel fijnere, soms bijna glasachtige massa. Voor de bouwsector is dit gesteente interessant vanwege de hoge dichtheid en de vaak superieure mechanische eigenschappen ten opzichte van gewone uitvloeiingsgesteenten. De interne structuur is compact. Er zijn nauwelijks poriën.

Vorming en winning in de praktijk

Intrusie en stolling

Magma perst zich onder hoge druk in bestaande zwaktes van de aardkorst. Het zoekt breuklijnen. Tijdens dit proces vult de vloeibare massa verticale spleten of horizontale ruimtes tussen sedimentlagen. Zodra het magma in contact komt met het koelere nevengesteente, begint de warmteafgifte via de contactvlakken. De afkoeling verloopt sneller dan in diepgelegen reservoirs. Dit resulteert in een fijnere matrix waarin grotere kristallen, die al eerder in de diepte waren gevormd, ingesloten raken.

De oriëntatie van de gang bepaalt de vorming. Verticale intrusies, bekend als dikes, snijden dwars door de gelaagdheid van het omliggende gesteente heen. Horizontale intrusies of sills vormen dikke platen parallel aan de bestaande lagen. In de kern van zulke gangen is de afkoeling trager. Hierdoor ontstaat een lichte variatie in kristalgrootte tussen de rand en het centrum van de ader. Het gesteente is massief. Poriën ontbreken nagenoeg volledig door de hoge druk tijdens de vorming.

Extractie en verwerking

Winning vindt plaats in steengroeves waar deze gangen door erosie of tektoniek dicht bij de oppervlakte zijn gekomen. Men volgt de loop van de ader. Omdat ganggesteente vaak harder en resistenter is dan het omringende gesteente, blijft het na verwering vaak als een muur of rug in het landschap staan. Bij de ontginning wordt gebruikgemaakt van de natuurlijke begrenzingen van de gang. De scheiding tussen het ganggesteente en het nevengesteente is meestal scherp. Dit vergemakkelijkt de selectieve winning. Na het losbreken wordt het materiaal mechanisch verkleind. Het resultaat is een homogeen product dat door zijn compacte structuur en hoge dichtheid zeer geschikt is voor zware bouwtoepassingen. De interne homogeniteit zorgt voor een gelijkmatige drukweerstand in alle richtingen.

Geometrische verschijningsvormen en naamgeving

Geometrische verschijningsvormen en naamgeving

Ganggesteente wordt in de geologie vaak aangeduid als hypabyssaal of subvulkanisch gesteente. De classificatie hangt nauw samen met de oriëntatie van de intrusie ten opzichte van de omliggende aardlagen. Wanneer de vloeibare massa loodrecht door bestaande gesteentelagen snijdt, spreken we van een dike of een discordante gang. Ligt de intrusie parallel aan de gelaagdheid van het nevengesteente? Dan betreft het een sill, ook wel een concordante gang genoemd. Deze vormen zijn cruciaal voor de extractie. Een dikke sill gedraagt zich in een groeve als een massieve, horizontale plaat, terwijl dikes zich vaak als smalle, verticale barrières door het landschap trekken.

Er bestaat soms verwarring met dieptegesteente (plutonieten) en uitvloeiingsgesteente (vulkanieten). Ganggesteente is de hybride tussenvorm. Het mist de grove, gelijkmatige kristallisatie van graniet, maar bezit niet de glasachtige of extreem fijnkorrelige structuur van basalt. Het is compact materiaal. De mechanische weerstand is hoog.

Petrografische varianten in de praktijk

Petrografische varianten in de praktijk

Diabaas is de meest prominente variant binnen de civiele techniek en waterbouw. In Engelstalige vakliteratuur wordt dit gesteente steevast doleriet genoemd. Het is de fijnkorrelige equivalent van gabbro. Door de snelle stolling in gangen ontstaat een subofitische textuur die het gesteente extreem taai maakt. Voor zwaar belaste wegfunderingen is dit ideaal. Een andere bekende groep zijn de porfieren. De naam verwijst direct naar de textuur: grote kristallen van veldspaat of kwarts die 'drijven' in een fijnere grondmassa. De Belgische Quenast-steen is hier een schoolvoorbeeld van. Het is technisch gezien een kwartsporfier die als ganggesteente is gestold.

Aan de uitersten van het spectrum vinden we apliet en pegmatiet. Apliet oogt suikerachtig en zeer fijnkorrelig, meestal licht van kleur en rijk aan kwarts. Pegmatiet is het tegenovergestelde. Hier zijn de kristallen monsterlijk groot. Soms bereiken ze afmetingen van enkele decimeters. Dit proces wordt niet alleen door de temperatuur gestuurd, maar ook door de aanwezigheid van vluchtige bestanddelen zoals waterdamp in de gang. Het zijn variaties op hetzelfde thema: magma dat de oppervlakte net niet bereikte. De afkoelsnelheid dicteert de korrel. De druk bepaalt de dichtheid.

Praktische toepassingen en herkenning

Stel je de kasseiwegen in oude Belgische stadskernen voor. De bekende blauwgrijze stenen uit de groeven van Quenast of Lessen zijn schoolvoorbeelden van porfier, een type ganggesteente. Waar kalksteen door de jaren heen glad en rond slijt, behoudt dit materiaal zijn stroefheid. Onverwoestbaar onder duizenden wielen. De kristallen zitten zo dicht op elkaar gepakt dat water en vorst geen grip krijgen.

Langs het spoor zie je het materiaal in een andere vorm: ballast. Deze scherpe, hoekige brokken gesteente onder de bielsen zijn vaak van diabaas. Een bewuste keuze. Ganggesteente verpulvert namelijk niet onder de enorme trillingen en druk van passerende goederentreinen. De hoekige breukvlakken grijpen in elkaar als een puzzel, wat zorgt voor een stabiel en waterdoorlatend spoorbed dat decennia meegaat.

In de keukenbouw kom je het vaker tegen dan je denkt. Veel keukenbladen die worden verkocht onder de noemer 'zwart graniet' zijn petrografisch gezien doleriet. Een ganggesteente. Omdat het materiaal bijna geen poriën heeft, trekken vloeistoffen er nauwelijks in. Hygiënisch en technisch superieur aan veel echte dieptegesteenten. Ook in de waterbouw, bij de aanleg van havendammen en zinkstukken, wordt vaak gekozen voor deze zware breuksteen vanwege de hoge dichtheid; de blokken blijven zelfs bij zware stormen stabiel op de bodem liggen.

Normen en wettelijke kaders

In de civiele techniek regeert de norm. NEN-EN 13450 dicteert de strenge selectie van aggregaten voor spoorwegballast, een discipline waarin diabaas door zijn enorme taaiheid en weerstand tegen verbrijzeling nagenoeg ongeëvenaard is. Veiligheid op het spoor duldt geen korrel die verpulvert. Voor kasseien of andere natuurstenen bestratingselementen zijn NEN-EN 1341 en 1342 de maatstaf. Ze toetsen genadeloos op vorst-dooi-resistentie en buigtrekterkte. Het materiaal moet bovendien voldoen aan de Verordening Bouwproducten (CPR). De producent is verplicht een prestatieverklaring op te stellen, de Declaration of Performance (DoP), onlosmakelijk verbonden met de CE-markering voor markttoegang binnen de Europese Unie. Milieuhygiënisch toetst men in Nederland aan het Besluit bodemkwaliteit. Breuksteen voor dijken of oeverbescherming moet aantoonbaar schoon zijn. Uitloging van zware metalen is een aandachtspunt bij minerale bouwstoffen, al passeert dit type inert ganggesteente dergelijke tests meestal zonder slag of stoot. Geen gedoe met verontreiniging. In de utiliteitsbouw, specifiek bij de toepassing van 'zwart graniet' (doleriet) als gevelbekleding, is de NEN-EN 1469 relevant voor de producteisen. Constructieve veiligheid staat voorop bij mechanische verankering aan de achterstructuur. De wet kijkt mee over de schouder van de steenhouwer.

Historische ontwikkeling en classificatie

Ontstaan van technische systematiek

Vroeger was de kennis over ganggesteente puur empirisch. Men zocht simpelweg de hardste banken in het landschap voor fundamenten en bestrating. Pas in de negentiende eeuw kreeg ganggesteente een eigen, formele plek in de geologische systematiek. De petrografie maakte toen het onderscheid tussen dieptegesteente en uitvloeiingsgesteente definitief. Ganggesteente bleef daar tussenin hangen. Een hybride vorm. Deze noodzaak voor een scherper onderscheid kwam voort uit de praktijk van de weg- en waterbouw; ingenieurs merkten dat de taaiheid van diabaas of porfier fundamenteel verschilde van de breekbaarheid van veel pure vulkanieten. De mechanische belastbaarheid was superieur.

De opkomst van het spoorwegnetwerk in de tweede helft van de negentiende eeuw versnelde de industriële exploitatie aanzienlijk. Ballastbedden vroegen om hoekig en uiterst slijtvast materiaal dat niet verpulverde onder de enorme dynamische druk van locomotieven. Men vond dit in de dikes die als harde, opstaande ruggen door het landschap sneden. Oude groeves in de Ardennen getuigen nog van deze vroege schaalvergroting. De terminologie kristalliseerde pas volledig uit rond de eeuwwisseling van 1900. Men begreep toen de directe relatie tussen de afkoelsnelheid in de intrusieve gang en de uiteindelijke kristalstructuur. De wetenschap volgde hierin de behoefte van de industrie. Tegenwoordig is deze historische classificatie stevig verankerd in de Europese normen voor toeslagmaterialen. De technische waardering voor de poriënvrije compactheid van deze stenen blijft ongewijzigd sinds de eerste grootschalige infrastructurele werken.

Meer over bouwmaterialen en grondstoffen

Ontdek meer termen en definities gerelateerd aan bouwmaterialen en grondstoffen