IkbenBint.nl

Gebosseerd

Afwerking en Esthetiek G

Definitie

Een bewerking van natuursteen of pleisterwerk waarbij de zichtzijde ruw, uitpuilend of geprofileerd wordt gelaten om een robuust en rustiek effect te creëren.

Omschrijving

Licht en schaduw doen het meeste werk bij bossage. Een gebosseerde steen springt fysiek uit het gevelvlak, vaak met ruwe randen die een krachtig contrast vormen met het omliggende, strakke metselwerk. De techniek suggereert onverwoestbaarheid en kracht door het reliëf dat ontstaat. Oorspronkelijk hakte de steenhouwer de blokken ruw uit de groeve, waarbij alleen de voegen vlak werden afgewerkt voor een goede passing. Vandaag de dag zien we dit effect terug in historische gevels, vooral in de plinten of op de hoeken van voorname panden. Het gaat om het spel van diepe schaduwen in de voegen die het gevelbeeld ritme en textuur geven. Soms is de 'ruwheid' juist uiterst gestileerd uitgevoerd met diamantkoppen of regelmatige patronen.

Toepassing en methodiek

Het creëren van een gebosseerd oppervlak draait om de bewuste manipulatie van de randen ten opzichte van de kern. Bij natuursteen start de uitvoering met het hakken van een vlakke randstrook, ook wel de velling genoemd, langs de omtrek van het blok. De kern van de steen blijft hierdoor als een verhoging staan. Dit uitstulpende deel, de bos, verkrijgt zijn karakter door de mate van bewerking; soms blijft de ruwe breukzijde direct uit de groeve behouden, terwijl de steenhouwer in andere gevallen met beitels een specifiek patroon zoals een diamantkop of regelmatige groeven aanbrengt. De diepte van de velling bepaalt de zwaarte van de schaduwlijn.

Een proces van precisie en contrast. Bij pleisterwerk wordt de techniek gesimuleerd door het aanbrengen van variërende laagdiktes. Men trekt diepe voegen in de plastische mortel met behulp van sjablonen of snijdt deze handmatig in met een voegijzer. Soms worden houten latten in de raaplaag geplaatst die na het uitharden worden verwijderd om een strakke schijnvoeg achter te laten. De uitvoering vereist een strikte beheersing van de dieptelijn. Het resultaat suggereert een massieve stapeling van zware blokken, waarbij de overgang tussen de strakke voeg en de geprofileerde kern de textuur van de gevelwand dicteert. Geen enkel handmatig gebosseerd element is identiek, wat bijdraagt aan de levendigheid van het gevelbeeld.

Typen en stilistische varianten

Vormgeving van de bos

Bossage is geen eenheidsworst. De variatie zit hem in de bewerking van de 'bos' – het fysiek uitstekende deel van de steen. Soms is de steen bijna onbewerkt. Alsof hij rechtstreeks uit de groeve in de gevel is gehesen. Men noemt dit rustica. Het oogt brutaal en krachtig. Onverwoestbaar zelfs.

Een uiterst geometrische tegenhanger is de diamantkop. Hierbij loopt de voorzijde van de steen naar één centraal punt toe, als een afgetopte piramide. Het creëert een messcherp spel van licht en diepe schaduw. Barokke architectuur zweert bij dit effect. Heel anders is de kussenbossage. Hierbij zijn de randen van het blok vloeiend afgerond. De steen krijgt een zacht, bijna opgezwollen uiterlijk. Het lijkt op een kussen. Vandaar de naam.

Textuur en decoratieve bewerkingen

Voor wie van detail houdt, is er de vermiculated bossage. De term stamt af van het Latijnse 'vermiculus', wat wormpje betekent. De steenhouwer beitelt grillige, kronkelende lijntjes in het oppervlak. Het lijkt alsof de tand des tijds of kleine insecten het blok hebben aangevreten. Een prachtig staaltje maniërisme. Vaak uitgevoerd in zachte kalksteen.

Soms is de bewerking juist sober en strak. Bij gevlakte bossage is de voorzijde van de steen keurig vlak geslepen. Alleen de diepe velling (de schuine rand) of de recht ingesneden voegen zorgen ervoor dat het blok uit het gevelvlak springt. Dit type zien we veel bij negentiende-eeuwse herenhuizen. Het verschil met imitatie-bossage in pleisterwerk is soms lastig te zien. In stucwerk worden de schijnvoegen vaak met houten latten gevormd, terwijl de kern van het 'blok' glad wordt afgepleisterd of juist met een bezem wordt opgeruwd voor textuur.

VariantKenmerk van de zichtzijdeVisueel effect
RusticaRuwe breuksteenNatuurlijk, robuust
DiamantkopPiramidevormigGeometrisch, schaduwrijk
KussenbossageBol en afgerondZacht, massief
VermiculatedWormvormige groevenOrganisch, decoratief
GevlaktVlak maar verhoogdStrak, ritmisch

Gebosseerd werk in de praktijk

Loop langs een statig grachtenpand of een negentiende-eeuws bankgebouw. De onderste laag, de plint, trekt direct de aandacht. Hier zie je vaak zware, gebosseerde blokken die het gebouw een visueel fundament geven. Het oogt onverwoestbaar. De schaduwwerking in de diepe vellingen zorgt ervoor dat de gevel massief en krachtig overkomt, zelfs als de rest van de muur erboven strak en vlak is afgewerkt.

In historische stadskernen kom je vaak de 'schijnvariant' tegen. Stucwerk op de begane grond. De stukadoor heeft met houten latten of een voegijzer diepe horizontale en verticale groeven in de natte mortel getrokken. Van een afstandje niet van echt natuursteen te onderscheiden. Het geeft een eenvoudige bakstenen gevel direct een voornaam aanzien. Een economische oplossing voor een luxueus effect.

Bij barokke poortdoorgangen tref je soms de diamantkop aan. De stenen springen letterlijk naar voren. Elke zijde van de piramidevorm vangt het zonlicht op een ander moment van de dag, waardoor de poort voortdurend van karakter verandert. Ook in moderne tuinarchitectuur zie je het terug. Keerwanden van ruw gebosseerde betonblokken bootsen de natuurlijke breuklijn van rotsen na. Het contrast met strakke gazons of glazen puien is groot. Het robuuste karakter van gebosseerd werk dient daar als organisch tegenwicht voor de strakke lijnvoering.

Kaders voor behoud en uitvoering

Bossage siert monumenten. De Erfgoedwet is daarom leidend bij elke ingreep aan gebouwen met een beschermde status. Je past een gevel met diamantkoppen of rustica niet zomaar aan. Vergunningsplicht is de norm bij rijksmonumenten. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed hanteert specifieke richtlijnen voor het behoud van historisch natuursteen en pleisterwerk. Het gaat om het respecteren van de originele bewerkingstechniek.

Veiligheid gaat voorop. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) stelt strikte eisen aan de stabiliteit van gevelbekleding, waarbij met name de mechanische verankering van zware natuurstenen blokken cruciaal is om te voorkomen dat deze door weersinvloeden of materiaalmoeheid losraken van de achterliggende constructie. Gebosseerde elementen vangen door hun reliëf meer wind en water. De belasting op de gevel is hierdoor anders dan bij een vlakke afwerking.

Voor de uitvoering van imitatiebossages in stucwerk gelden technische richtlijnen voor de laagdikte en vorstbestendigheid van de gebruikte mortels. NEN-normen voor natuursteen en stucmortels bieden het kader voor de materiaaleigenschappen en duurzaamheid. Voorkom scheurvorming in de diepe schijnvoegen. Dat is essentieel voor de waterdichtheid van de gehele gebouwschil.

Van groeve naar palazzo

Oorspronkelijk was bossage geen esthetische keuze, maar een bittere noodzaak in de logistiek van de bouwplaats. Romeinse ingenieurs lieten de voorkant van grote natuursteenblokken ruw. Dat bespaarde tijd. En geld. Alleen de randen werden vlak gehakt om een strakke voeg te garanderen. Het was pure utiliteit. Bij infrastructurele werken zoals de Porta Maggiore in Rome zag men echter de visuele potentie van deze 'onafheid'. De ruwe textuur straalde een onverwoestbare kracht uit die paste bij het imperium. Macht in steen gevangen. De Renaissance herontdekte deze techniek en verhief het tot een architectonische taal. Architecten als Michelozzo gebruikten voor het Palazzo Medici Riccardi een strikte hiërarchie. Onderin de gevel domineerde de zware, woeste rustica. Naarmate de verdiepingen stegen, werd het steenwerk vlakker en eleganter. Een gevel als metafoor voor beschaving. De ruwheid van de aarde onderaan, de verfijning van de geest bovenaan. Het Maniërisme trok die lijn door naar het theatrale. Giulio Romano liet in de 16e eeuw stenen bewust 'vallen' of gaf ze een bijna vloeibaar uiterlijk in het Palazzo Te. Het was een spel met de verwachting van de toeschouwer. In de achttiende en negentiende eeuw vond een democratisering plaats door de opkomst van stucwerk. De burgerij wilde de status van een Italiaans palazzo zonder de kosten van massieve natuursteen. Portlandcement bood de oplossing. Stukadoors simuleerden met sjablonen en trekijzers de zware blokken die voorheen alleen voor de adel bereikbaar waren. De functionele oorsprong in de steengroeve was toen al lang vergeten. Wat overbleef was de suggestie van massa. Een architectonische illusie van veiligheid en rijkdom die nog steeds het beeld bepaalt van vele Europese binnensteden.

Meer over afwerking en esthetiek

Ontdek meer termen en definities gerelateerd aan afwerking en esthetiek