IkbenBint.nl

Glijfolie

Bouwmaterialen en Grondstoffen G

Definitie

Glijfolie is een kunststof tussenlaag die de wrijving tussen constructiedelen verlaagt om thermische vervormingen en krimp spanningsvrij op te vangen.

Omschrijving

Zonder glijfolie trekt de constructie zichzelf kapot. Simpelweg omdat beton krimpt en baksteen bij hitte uitzet. Die krachten moeten ergens heen. Glijfolie fungeert hierbij als de noodzakelijke buffer die ervoor zorgt dat een latei of vloerveld onafhankelijk van de onderliggende muur kan schuiven. Vaak herken je het aan de dunne stroken die uit de voeg steken, meestal verpakt in een extra folielaagje tegen morsend betonwater. Want zand of cement tussen de glijlagen is funest; dat blokkeert de boel direct. Het materiaal vangt niet alleen thermische uitzetting op, maar ook kruip en de onvermijdelijke krimp van prefab elementen.

Toepassing en uitvoering in de praktijk

De verwerking op de bouwplaats

Het aanbrengen van de glijfolie gebeurt op het moment dat de dragende onderstructuur, zoals een kalkzandsteen wand of een betonbalk, gereed is voor de volgende constructiefase. De stroken worden over de volledige lengte van het oplegvlak uitgerold. Positionering is cruciaal. De folie moet exact liggen waar de krachtenoverdracht plaatsvindt, zonder dat er plooien of overlappingen ontstaan die de drukverdeling nadelig beïnvloeden. Vaak wordt de folie los op de ondergrond geplaatst, waarbij de bovenbelasting van de vloer of latei zorgt voor de uiteindelijke fixatie.

Bij in het werk gestorte betonconstructies wijkt de methodiek iets af door het risico op lekwater. Men gebruikt dan vaak glijfoliesystemen die zijn voorzien van een beschermende omhulling of een extra overlap aan de zijkanten. Dit voorkomt dat vimentmortel tussen de glijvlakken dringt en de boel vastzet. Een schone werkomgeving is hierbij onmisbaar. Zandkorrels werken als remblokken. De folie fungeert pas als glijlager zodra het gewicht van de bovenliggende constructie de lagen op elkaar drukt.

  • Vrijmaken van het oplegvlak van puin en stof
  • Uitrollen van de kunststof stroken op de dragende muur
  • Onderling verbinden van naden met tape indien nodig voor de dichtheid
  • Directe plaatsing van prefab elementen of de bekisting voor beton

De folie blijft na montage permanent in de constructie aanwezig. Het zit opgesloten. Er is geen verdere afwerking van de folie zelf nodig, behalve het eventueel wegsnijden van uitstekende randen nadat de voeg is afgewerkt of de vloer is gestort. In sommige gevallen steekt de folie bewust iets uit om visueel te controleren of de scheiding overal aanwezig is.

Varianten en materiaalkeuzes

Er bestaat niet één universele glijfolie. Het materiaal verschilt fundamenteel op basis van de verwachte belasting en de omgevingsfactoren tijdens de bouw. In de basis maken we onderscheid tussen de enkelvoudige folie en de dubbelwandige, gesloten systemen. De enkelvoudige variant, vaak op basis van polyethyleen (PE), wordt vooral toegepast bij droge montage waarbij geen risico bestaat op vervuiling door vloeibare mortel. Voor in het werk gestort beton is een 'ingepakte' glijfolie echter de standaard. Deze bestaat uit twee glijlagen die in een beschermende huls zitten. De huls voorkomt dat cementwater tussen de lagen dringt. Gebeurt dat wel? Dan versteent de verbinding. De glijfolie werkt dan als een lijmverbinding, wat precies is wat je wilt voorkomen.

Type Materiaal Kenmerkende eigenschap
Standaard glijstrook Polyethyleen (PE) Economisch, voor lichte belasting in droge bouw.
Hoogwaardige glijfolie PTFE (Teflon) Zeer lage wrijvingscoëfficiënt, bestand tegen extreme druk.
Gecombineerde glij-viltstrook Kunststof + Naaldvilt Vangt ook kleine oneffenheden in de ondergrond op.

De wrijvingscoëfficiënt bepaalt de kwaliteit. Bij PTFE-varianten ligt deze factor aanzienlijk lager dan bij standaard PE-folies. Dit is cruciaal bij grote overspanningen in de utiliteitsbouw. Vaak verwart men glijfolie met bouwvilt of oplegvilt. Hoewel ze op elkaar lijken, hebben ze een ander doel. Vilt dient primair voor drukverdeling en akoestische ontkoppeling, terwijl de focus bij folie puur op de horizontale bewegingsvrijheid ligt. Soms worden ze gecombineerd tot één product om zowel rotatie als verschuiving op te vangen. Let ook op de dikte; deze varieert meestal tussen de 1 en 5 millimeter, afhankelijk van de benodigde vervormingscapaciteit van de constructie.

Praktische scenario's en herkenningspunten

Een typisch voorbeeld is de oplegging van een lange prefab betonvloer op een dragende kalkzandsteen wand. De vloer krimpt over de jaren heen. De wand blijft echter vormvast. Zonder glijfolie zou de wandkop simpelweg kapot worden getrokken door de enorme interne spanningen. De folie fungeert hier als een 'silent partner' die de beweging faciliteert.

In de gevelbouw kom je het tegen bij lateien boven brede raampartijen. Een stalen latei van zes meter lang reageert heftig op direct zonlicht. De zon bakt erop. De latei zet uit. Het metselwerk eronder kan die zijwaartse druk niet aan. Men plaatst de latei op glijfolie zodat deze vrij kan expanderen. Zo voorkom je die typische trapvormige scheuren bij de hoekpunten van het kozijn.

In een parkeerkelder liggen zware balken vaak op kolommen. Hier zie je de zwaardere varianten. Vaak is dit een combinatie van vilt en folie. De balk ligt niet 'koud' op het beton. Een pakketje vangt rotatie en horizontale verschuiving op. Je herkent dit in de ruwbouwfase aan de smalle zwarte randjes die net onder een balk of vloerrand uitsteken. Soms hangt er nog wat plastic van de beschermhuls aan. Dat is goed nieuws; het betekent dat het glijvlak tijdens het storten schoon is gebleven en niet is vastgelopen door betonwater.

Denk ook aan een lange galerijflat. De zon brandt vol op het beton van de galerijplaat, terwijl de dragende binnenwanden koel blijven. Het beton wil uitzetten. Het móet ergens heen. De glijfolie op de consoles zorgt dat de plaat kan ademen.

Normering en constructieve kaders

De Eurocode 2 laat weinig ruimte voor interpretatie. NEN-EN 1992-1-1 stelt dat constructies bestand moeten zijn tegen alle belastingen en invloeden die tijdens de levensduur kunnen optreden. Krimp is daar een fundamenteel onderdeel van. Beton krimpt, staal zet uit en de wetgever eist dat dit de veiligheid niet schaadt. Glijfolie vertaalt deze abstracte veiligheidseisen naar de rauwe praktijk van de bouwplaats. Het is de fysieke invulling van de rekenregels voor thermische effecten. Geen glijlaag waar die nodig is? Dan voldoet het bouwwerk simpelweg niet aan het publiekrechtelijke kwaliteitsniveau.

Ook de NEN-EN 1996-serie voor metselwerk is relevant. Deze normen eisen specifieke voorzieningen om scheurvorming door verhinderde vervorming te voorkomen bij opleggingen. Horizontale verschuiving moet mogelijk zijn. Punt. De regelgeving kijkt niet naar het merk folie, maar naar de wrijvingsweerstand die in de berekeningen is gehanteerd. Een te hoge wrijving door verkeerde materiaalkeuze betekent simpelweg dat je niet voldoet aan de norm. Het gaat om het beheersen van de krachtenhuishouding.

Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) vormt het overkoepelende wettelijke kader voor deze constructieve betrouwbaarheid. Hierin wordt de fundamentele eis voor de stabiliteit van de hoofdconstructie geborgd. De constructeur bepaalt de benodigde wrijvingscoëfficiënt; de norm bewaakt de veiligheid. Een cruciaal detail. Vaak over het hoofd gezien, maar essentieel voor de juridische en technische houdbaarheid van een ontwerp.

Van lood naar polymeer

Beton werkt altijd. Vroeger losten bouwmeesters de onvermijdelijke krimp en uitzetting van zware materialen op met grove methoden zoals loden platen of het simpelweg accepteren van de scheuren die ontstonden door verhinderde vervorming. Vet en grafiet als glijmiddel. Het werkte, maar het was onvoorspelbaar en vaak rommelig op de bouwplaats. De echte kanteling kwam tijdens de wederopbouw. De schaalvergroting in de woningbouw en de massale opkomst van prefab beton in de jaren vijftig en zestig maakten een betrouwbare, onderhoudsvrije scheidingslaag noodzakelijk. De industrie zocht naar een droge oplossing.

Chemische innovaties boden in de jaren zestig de definitieve uitkomst. Polyethyleen (PE) verving de oude, vaak op bitumen gebaseerde vloeipapieren die bij zomerse temperaturen zacht werden en aan de constructie vastkleefden. Een ramp voor de mobiliteit van de constructie. Later volgde de introductie van PTFE voor de zware utiliteitsbouw. Deze materialen boden een constante wrijvingscoëfficiënt die constructeurs daadwerkelijk konden doorrekenen. Geen giswerk meer. Met de komst van de Eurocodes schoof de rol van glijfolie op van een 'praktische oplossing' naar een technisch voorgeschreven onderdeel van het constructief ontwerp. De evolutie stopte niet bij de folie zelf; de ontwikkeling van de 'ingepakte' systemen in de jaren tachtig loste het probleem van lekwater bij in het werk gestort beton definitief op.

Meer over bouwmaterialen en grondstoffen

Ontdek meer termen en definities gerelateerd aan bouwmaterialen en grondstoffen