IkbenBint.nl

Kleikorrels

Bouwmaterialen en Grondstoffen K

Definitie

Keramische, lichtgewicht korrels met een poreuze celstructuur, vervaardigd door het expanderen van kalkarme klei bij extreem hoge temperaturen.

Omschrijving

In een gigantische draaioven vindt de transformatie plaats. Bij temperaturen tussen de 1100 en 1200 graden Celsius begint de klei te koken, gassen ontsnappen en de korrel zwelt op als een soufflé. Dit proces creëert een sponsachtige kern vol stilstaande lucht, terwijl de buitenkant dichtslaat tot een harde, gesinterde schil. Het resultaat is een materiaal dat verrassend licht is maar toch een opmerkelijke druksterkte behoudt. In de constructiewereld zijn deze korrels onmisbaar wanneer gewichtsbesparing en thermische isolatie hand in hand moeten gaan. Ze zijn ongevoelig voor rot, bestand tegen zuren en absoluut onbrandbaar. De gesinterde buitenlaag zorgt ervoor dat de korrel nauwelijks water opzuigt, wat cruciaal is voor de vorstbestendigheid in onbeschermde buitenomstandigheden.

Toepassing en verwerking in de praktijk

De verwerking van kleikorrels begint meestal bij de logistiek van bulkstort of het pneumatisch inblazen via slangen over grote afstanden. Het materiaal gedraagt zich door de ronde vorm bijna als een vloeistof. In kruipruimtes wordt de laag direct op de bodemvloer aangebracht om een thermische barrière te creëren. Geen ingewikkelde handelingen. De korrels vinden hun eigen weg. Bij renovatieprojecten, waar gewichtskritische houten vloeren de norm zijn, vult men de ruimtes tussen de kinderbalken simpelweg op tot het gewenste niveau. Voor een stabiele, beloopbare ondergrond worden de korrels vaak 'gebonden' verwerkt. Een cementpap of dunne mortel wordt over de gestorte laag verdeeld. Dit omhult de korrels. Het vloeit tussen de contactpunten. Zo ontstaat een monolithische plaat die toch een hoge porositeit behoudt. Egaliseren gebeurt met een afreilat of aluminium reien, waarbij de korrels zich laten dwingen in een vlakke lijn. Er is nauwelijks sprake van inklinking tijdens het verwerken. Mechanische verdichting is bij dit materiaal ongebruikelijk; het gewicht van de korrels zelf en de onderlinge wrijving zorgen voor de nodige stabiliteit. Bij daktuinen of drainagebanen volgt de installatie meestal op een wortelwerend vlies, waarna de korrels losjes worden uitgespreid om de waterbufferende werking te maximaliseren.

Graderingen en fracties

Maatvoering dicteert de toepassing. Kleikorrels worden in de fabriek gezeefd op specifieke fracties, variërend van nagenoeg stofvrij zand tot grove bollen. De meest gangbare graderingen in de bouw zijn 0-4 mm, 4-10 mm en 10-20 mm. Kleine fracties hebben een hogere bulkdichtheid. Ze worden vaak ingezet voor cementgebonden lichte dekvloeren of als toeslagmateriaal in betonmortels. Grovere korrels bieden juist meer volume tegen een lager gewicht. Ideaal voor dikke isolatielagen. De holle ruimtes tussen de grote korrels fungeren als extra isolator. Stilstaande lucht werkt.

Ronde versus gebroken korrels

Vorm bepaalt stabiliteit. De standaard kleikorrel is rond en glad door het draaiende proces in de oven. Deze rolt makkelijk. Perfect voor het vloeibaar storten in holle ruimtes of kruipruimtes. Er bestaat echter ook 'kleislag'. Dit zijn mechanisch gebroken korrels. De hoekige structuur zorgt voor een betere onderlinge vertanding. Hierdoor ontstaat een stabieler pakket dat minder snel gaat 'rollen' onder belasting. In de wegenbouw of bij zware funderingsophogingen is dit een technisch voordeel. De breukvlakken zijn echter wel poreuzer dan de gesinterde huid van de ronde variant.

Onderscheid met aanverwante materialen

Verwarring ligt op de loer bij de term 'hydrokorrels'. Hoewel de basis hetzelfde is, zijn hydrokorrels voor de tuinbouw vaak minder vormvast en geoptimaliseerd voor wateropname. Constructiekorrels moeten juist een dichte schil hebben. Daarnaast wordt de term kleikorrel soms onterecht gebruikt voor perliet of vermiculiet. Perliet is geëxpandeerd vulkanisch glas en wit van kleur. Het is vele malen lichter en kwetsbaarder. Kleikorrels zijn keramisch. Robuust. Ze kunnen een veel hogere mechanische druk verdragen zonder te verpulveren. In de praktijk vallen merknamen zoals Argex of Leca vaak als synoniem voor het generieke product, maar de technische eigenschappen zoals druksterkte en korrelopbouw kunnen per fabrikant licht variëren.

Praktijksituaties

Isolatie van een ontoegankelijke kruipruimte

Een vochtige bodem onder een oude woning zorgt voor koude voeten en een muffe geur. De ruimte is te laag om fysiek in te werken. Een gespecialiseerd bedrijf komt langs met een vrachtwagen en blaast via een dikke slang een laag van 30 centimeter kleikorrels naar binnen. De korrels rollen over elkaar tot ze de hele bodem gelijkmatig bedekken. De kruipruimte is direct thermisch geïsoleerd. Geen gedoe met folies of platen in krappe hoeken.

Renovatie van een doorbuigende houten verdiepingsvloer

De balklaag van een monumentaal pand is niet berekend op het gewicht van een moderne zandcementvloer. Men wil toch een stabiele ondergrond voor tegels in de nieuwe badkamer. De oplossing is een cementgebonden vulling. Een mengsel van fijne kleikorrels en een dunne cementpap wordt tussen de balken gestort. Het resultaat? Een starre, onbrandbare plaat die de constructie nauwelijks extra belast. Lichtgewicht en constructief veilig.

Drainage op een intensief groendak

Bovenop een parkeergarage moet een tuin komen met struiken en een wandelpad. Gewone tuinaarde houdt te veel water vast en wordt loodzwaar. Eerst wordt een laag grove kleikorrels aangebracht op de waterkerende laag. Dit dient als drainage- en bufferlaag. Overtollig regenwater stroomt snel weg naar de afvoerpunten, terwijl de korrels in hun poriën net genoeg vocht vasthouden om de beplanting tijdens een droge week te voeden. Het gewicht blijft binnen de marges van het dakontwerp.

Ophoging bij zettingsgevoelige grond

Een oprit naast een garage verzakt continu door een slappe veenbodem. Telkens nieuw zand toevoegen verergert het probleem door het extra gewicht. Men graaft de oprit uit en vervangt het zand door gebroken kleikorrels (kleislag). Door de hoekige vorm haken de korrels in elkaar en vormen ze een stabiel pakket dat niet wegrolt. De druk op de ondergrond neemt drastisch af. De oprit blijft eindelijk op hoogte liggen zonder de bodem verder omlaag te drukken.

Normering en thermische kaders

Normen bepalen de kaders. Voor kleikorrels die als licht toeslagmateriaal in beton of mortel worden ingezet, vormt de Europese norm NEN-EN 13055 de fundamentele technische kapstok. Deze norm stelt strikte eisen aan de korrelopbouw en de mechanische eigenschappen van het materiaal. Geen CE-markering betekent simpelweg geen markttoegang. Fabrikanten moeten de prestaties van hun korrels transparant verklaren. In de Nederlandse context is het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) bepalend voor de toepassing als bodemisolatie. Wanneer een laag korrels in de kruipruimte wordt aangebracht, moet de isolatiewaarde worden berekend volgens de methodiek van de NTA 8800 om aan te tonen dat de beoogde energieprestatie ook daadwerkelijk wordt gehaald. De gedeclareerde lambdawaarde is hierbij het ijkpunt. Voor civieltechnische toepassingen zoals wegophogingen is bovendien het Besluit bodemkwaliteit relevant; dit waarborgt dat de keramische korrels geen schadelijke stoffen afgeven aan de ondergrond of het grondwater. Vrijwillige kwaliteitskeurmerken zoals KOMO vullen deze wettelijke eisen aan met specifieke praktijkrichtlijnen voor de verwerker op de bouwplaats.

Historische ontwikkeling

Van patent naar industriële standaard

De industriële oorsprong van de kleikorrel ligt in 1917 aan de andere kant van de oceaan. De Amerikaanse ingenieur Stephen J. Hayde experimenteerde in Kansas City met het expanderen van schalie en klei in een draaioven. Hij zocht een oplossing voor het hoge eigen gewicht van betonconstructies. Dit resulteerde in het patent op 'Haydite'. Het materiaal bleek een schot in de roos. In de jaren dertig van de vorige eeuw waaide de technologie over naar Denemarken, waar de merknaam Leca (Light Expanded Clay Aggregate) werd gevestigd en de Europese markt begon te veroveren.

De Tweede Wereldoorlog fungeerde als een katalysator voor technische innovatie. Staalschaarste dwong scheepsbouwers tot creatieve oplossingen. Men bouwde zeeschepen van lichtgewicht beton met kleikorrels als toeslagmateriaal. Dit bewees de mechanische betrouwbaarheid onder extreme omstandigheden. Na 1945 verschoof de toepassing naar de wederopbouw van Europa. Prefabricage was het sleutelwoord. In de jaren zestig ontstonden lokale productiefaciliteiten in de Benelux, zoals de Argex-fabriek in Antwerpen, die de logistiek voor de Nederlandse en Belgische markt vereenvoudigden.

De oliecrisis van 1973 markeerde een kantelpunt in het gebruik. De focus verschoof van puur constructief gewichtsverlies naar thermische prestaties. Kleikorrels werden niet langer enkel als vulmiddel in beton gezien, maar als volwaardig isolatiemateriaal voor kruipruimtes en daken. De techniek verfijnde zich. Draaiovens werden langer. De temperatuurbeheersing werd preciezer. Hierdoor kon men de porositeit en de hardheid van de buitenste schil beter sturen. Tegenwoordig is het proces volledig geautomatiseerd en gebonden aan strenge Europese kwaliteitsnormen, waarbij de focus ligt op circulariteit en energiebesparing tijdens het bakproces.

Meer over bouwmaterialen en grondstoffen

Ontdek meer termen en definities gerelateerd aan bouwmaterialen en grondstoffen