IkbenBint.nl

Kniespant

Constructies en Dragende Structuren K

Definitie

Een kniespant is een spantconstructie waarbij de verticale stijl en het hellende spantbeen via een stijve, geknikte verbinding één ononderbroken constructief geheel vormen.

Omschrijving

In de praktijk fungeert een kniespant als de ruggengraat van een open kapconstructie. De karakteristieke knik, de 'knie' genaamd, is het punt waar de grootste krachten samenkomen. Juist daar is de stijfheid van de verbinding bepalend voor de stabiliteit van het hele gebouw. Je ziet ze overal. Van eenvoudige houten schuren tot enorme stalen opslaghallen. Het grote voordeel? Geen hinderlijke kolommen in het midden van de ruimte. De constructie draagt zichzelf door de momentvaste hoek. Vaak wordt gewerkt met een driescharniersysteem. Dat vangt zettingen in de ondergrond makkelijk op zonder dat de boel gaat scheuren. Het is een slimme mix van verticale ondersteuning en dakvlak in één.

Uitvoering en constructieve samenhang

De fabricage van een kniespant concentreert zich op de realisatie van de momentvaste hoekverbinding. Bij staalconstructies worden de verticale kolom en de hellende ligger onder de gewenste hoek aan elkaar gelast of door middel van zware kopplaten en boutverbindingen gekoppeld. Om de optredende krachten in de hoek te beheersen, brengt men vaak verstijvingsschotten aan in het profiel. Deze voorkomen het plooien van de flenzen onder hoge drukspanning.

Houten kniespanten vragen om een specifieke techniek. Hierbij worden de houten delen dikwijls verbonden met aan weerszijden aangebrachte multiplex schetsplaten of stalen verbindingsplaten. Deze platen worden met een berekend patroon van nagels, bouten of lijm gefixeerd. De stijfheid van dit knooppunt bepaalt de effectiviteit van de gehele overspanning. Geen ruimte voor speling.

De montage op de bouwplaats verloopt doorgaans in fasen. Men hijst de prefab gemaakte spanthelften met een kraan in positie. De voet van de verticale stijl wordt op een betonpoer of funderingsbalk geplaatst en met ankerstangen vastgezet. In de nok komen de twee helften samen. Hier vormt een nokkoppeling, vaak uitgevoerd als een eenvoudige boutverbinding of een scharnierpunt, het sluitstuk. Het resultaat is een statisch bepaald of onbepaald systeem. De krachten uit de kapconstructie vloeien via de stijve knie direct af naar de fundering. Schoren in het vlak van het spant zijn hierdoor overbodig.

Materiaalspecifieke uitvoeringen

De verschijningsvorm van een kniespant wordt gedicteerd door het gekozen bouwmateriaal. Bij staalconstructies domineert het IPE- of HEA-profiel, waarbij de knieverbinding vaak wordt versterkt met een zogeheten 'haunch' of voute. Dit is een taps toelopend stuk staalprofiel dat in de binnenbocht van de knie wordt gelast om de hefboomsarm van het moment te vergroten. Geen overbodige luxe bij grote overspanningen. In de houtbouw zien we een andere dynamiek. Traditionele houten kniespanten maken gebruik van dubbele houten platen of multiplex schetsplaten die de stijl en de ligger als een sandwich omsluiten. Modernere varianten maken gebruik van gelamineerd hout (glulam), waarbij de knie soms als een doorlopende, onder hoge druk gebogen vorm wordt gefabriceerd. Dit elimineert de noodzaak voor complexe mechanische verbindingen in de hoek.

Constructieve varianten en systematiek

Een essentieel onderscheid ligt in het aantal scharnierpunten binnen de totale structuur. Het driescharnierspant is de meest voorkomende variant. Het bestaat uit twee losse kniespanten die in de nok en bij de fundering scharnierend zijn verbonden. Dit systeem is statisch bepaald. Het vangt kleine zettingen in de ondergrond op zonder dat er enorme spanningen in de hoeken ontstaan. Minder vaak ziet men het tweescharnierspant, waarbij de nokverbinding stijf is uitgevoerd. Dit vereist een zwaardere fundering om de horizontale spatkrachten op te vangen. Voor extreem brede gebouwen, zoals stallen of distributiecentra, wordt vaak gekozen voor meerveldse kniespanten. Hierbij worden meerdere spanten aan elkaar gekoppeld, ondersteund door tussenkolommen, waarbij de kenmerkende knie alleen aan de buitenwanden zichtbaar blijft. Soms wordt de knie uitgevoerd als een vakwerk; een complexe puzzel van staven en diagonalen die gewicht bespaart maar de constructiehoogte aanzienlijk vergroot.

Praktische situaties en toepassingen

Een enorme machineberging. Geen kolommen in het zicht. Dat is de kracht van het stalen kniespant. De boer rijdt zijn tractor moeiteloos naar binnen zonder angst voor schade aan het voertuig of de constructie. Langs de wanden zie je de stijve hoeken met hun karakteristieke vouten, robuust en onverzettelijk. Het dak draagt zichzelf.

Bij de transformatie van een oude graanzolder naar een moderne kantoorruimte bewijst het kniespant eveneens zijn nut. De traditionele kapconstructie met hinderlijke trekbalken op loophoogte gaat eruit. Er komt een houten kniespant voor in de plaats. Multiplex schetsplaten klemmen de staanders en de dakliggers stevig vast. Ineens is die benauwde zolder een lichte, open loft geworden waar je ongehinderd van links naar rechts loopt. Geen balken om je hoofd aan te stoten.

Langs de snelweg zie je ze bij de vleet. De typische industriële hallen voor logistiek. Hier worden stalen IPE-profielen in een kniespantconfiguratie toegepast om enorme overspanningen te realiseren. Vaak uitgevoerd als een driescharnierspant. Dit vangt de lichte trillingen van het passerende zware verkeer en eventuele zettingen in de slappe Nederlandse bodem probleemloos op. Je herkent ze aan de boutverbindingen in de nok en bij de voet, terwijl de hoek tussen wand en dak juist star en onbeweeglijk oogt.

  • De manege: Paarden hebben ruimte nodig. Geen staanders in de rijbaan. Een kniespant maakt een vrije overspanning van tientallen meters mogelijk.
  • De overkapping: Een luifel boven een laadperron. Het kniespant vangt hier de windbelasting op zonder dat er een extra schoorsteen nodig is die het zicht belemmert.

Wetgeving en normering rondom de knieverbinding

De constructieve integriteit van een kniespant valt direct onder het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL). Veiligheid is hier geen keuze. De hoofddraagconstructie moet voldoen aan strikte eisen voor mechanische sterkte en stabiliteit. Een kniespant is vaak bepalend voor het hele gebouw. Berekeningen volgens de relevante Eurocodes zijn daarom verplicht bij de vergunningaanvraag. Voor stalen varianten geldt NEN-EN 1993, terwijl houten constructies getoetst worden aan NEN-EN 1995.

De momentvaste verbinding vormt het juridische en technische zwaartepunt. De constructeur moet aantonen dat de hoekverbinding de berekende krachten daadwerkelijk kan overbrengen naar de fundering. Geen excuses. Bij staalconstructies speelt bovendien de brandwerendheid een rol. Indien het kniespant onderdeel is van de hoofddraagconstructie, moet deze vaak een specifieke brandweerstand (WBDBO) bezitten, wat kan leiden tot eisen voor brandwerende coating of omkleding.

  • NEN-EN 1991: Bepaalt de wind- en sneeuwbelasting die op de kap inwerkt.
  • Gevolgklasse (CC): De impact van een bezwijkend spant bepaalt de zwaarte van de controle en de betrouwbaarheidsindex.
  • NEN-EN 1090: Voor stalen spanten is de CE-markering van de fabrikant essentieel; zonder dit certificaat mag de constructie formeel niet op de markt komen.

Het gaat niet alleen om staan blijven. Ook de vervorming wordt getoetst. Te veel doorbuiging? Dan voldoet het ontwerp niet aan de bruikbaarheidseisen uit de wet. De details maken het verschil tussen een goedgekeurd plan en een bouwstop op de locatie. De wetgever kijkt mee over de schouder van de rekenaar.

De evolutie van de vrije overspanning

De wortels van het kniespant liggen in de dringende behoefte aan kolomvrije binnenruimtes. Eeuwenlang vertrouwden houten kapconstructies op trekbalken om de spatkrachten van de dakhuid op te vangen. Dit beperkte de bruikbaarheid van zolders en schuren aanzienlijk. Met de opkomst van de toegepaste mechanica in de 19e eeuw verschoof de focus naar stijve knooppunten. De industriële revolutie introduceerde gewalste ijzeren profielen. Aanvankelijk werden deze met zware klinknagelverbindingen gekoppeld tot vroege portaalvormen. Het kniespant was een technisch antwoord op de beperkingen van de traditionele driehoeksconstructie.

De echte doorbraak in de Nederlandse utiliteitsbouw volgde halverwege de 20e eeuw. De wederopbouwperiode vroeg om snelle, efficiënte methoden voor de bouw van stallen en industriehallen. De introductie van de elektrische vlambooglasmethode veranderde alles. Stalen I-profielen konden voortaan naadloos en momentvast worden verbonden in de hoek. Parallel hieraan onderging de houtbouw een metamorfose. In plaats van complexe, arbeidsintensieve pen-en-gatverbindingen deden multiplex schetsplaten hun intrede. Deze platen konden enorme momenten opnemen door een berekend spijker- of boutpatroon. Het kniespant transformeerde van een specifieke ingenieursoplossing naar een industrieel standaardproduct.

Later zorgde de ontwikkeling van lijmhout (glulam) voor een esthetische en constructieve impuls. Waar staal puur functioneel was, bood gelamineerd hout de mogelijkheid om gebogen knieën te fabriceren zonder mechanische onderbrekingen in de vezelstructuur. De regelgeving bewoog mee met deze technische vooruitgang. De overgang van lokale voorschriften naar de geharmoniseerde Eurocodes zorgde voor een internationale standaardisatie in de berekeningsmethodiek van de momentvaste hoek. Tegenwoordig bepalen geavanceerde rekensoftware en parametrische ontwerpen de meest efficiënte materiaalverdeling in de knie, waardoor constructies lichter en slanker zijn dan ooit tevoren.

Meer over constructies en dragende structuren

Ontdek meer termen en definities gerelateerd aan constructies en dragende structuren