IkbenBint.nl

Natrekking

Wetgeving, Normen en Vergunningen N

Definitie

Juridisch eigendomsprincipe waarbij de eigenaar van een hoofdzaak, in de bouw meestal de grond, automatisch eigenaar wordt van alles wat daar duurzaam mee wordt verenigd.

Omschrijving

Natrekking bepaalt wie de feitelijke eigenaar is van de gebouwde omgeving. Volgens artikel 5:20 van het Burgerlijk Wetboek is de eigendom van de grond inclusief de gebouwen en werken die daarmee verbonden zijn. Dit heeft verstrekkende gevolgen voor de bouwketen. Wie bouwt op andermans grond, verliest in principe de eigendom van de gebruikte materialen zodra deze 'bestanddeel' van de grond worden. Het recht kijkt hierbij naar de verkeersopvattingen: wordt een gebouw volgens de algemene opinie als onderdeel van de grond gezien? Of is het object zonder schade van betekenis te scheiden? Een gemetselde muur trekt na, een verplaatsbare unit vaak niet. Vast is vast. Dit automatisme zorgt ervoor dat eigendomsverhoudingen overzichtelijk blijven, maar het dwingt aannemers en financiers ook tot scherpte bij het vastleggen van rechten.

Toepassing en uitvoering in de bouwpraktijk

De feitelijke realisatie van natrekking voltrekt zich tijdens de fysieke samenvoeging van bouwstoffen met de ondergrond of een hoofdgebouw. Het begint vaak onopvallend. Een eerste paal. Beton dat in een sleuf vloeit. Zodra deze materialen door montage, inmetseling of verankering hun zelfstandige karakter verliezen, vindt de juridische eenwording plaats. Het is een technisch automatisme. De materialen gaan op in de hoofdzaak.

In de bouwketen manifesteert dit proces zich vooral bij de constructieve verbindingen. Een staalconstructie wordt op ankers in de fundering geplaatst. De bouten worden aangedraaid. Door deze handeling ontstaat een onlosmakelijke eenheid met de bodem en verliest de staalleverancier feitelijk zijn directe zeggenschap over het materiaal. Betonmortel vloeit. Het hardt uit. De eigendom verschuift direct zodra de verbinding een feit is, ongeacht wat partijen vooraf in hun contracten hebben afgesproken over het behoud van eigendom van de geleverde materialen door de onderaannemer.

Ook bij complexe gebouwgebonden installaties herhaalt dit proces zich. Denk aan klimaatbeheersingssystemen die door het gehele pand zijn verweven met kanalen en leidingen. De installatie is niet langer een los apparaat. Het is een essentieel onderdeel van het bouwwerk geworden. De fysieke aard van de verbinding en de functie binnen het geheel dicteren de uitkomst, waarbij de mogelijkheid tot verwijdering zonder substantiële schade als graadmeter dient voor de voltooiing van het proces. Het object wordt naar verkeersopvatting simpelweg gezien als onderdeel van het gebouw.

Verticale versus horizontale natrekking

In de juridische bouwpraktijk maken we een essentieel onderscheid tussen twee richtingen waarin dit proces zich voltrekt. De meest dominante vorm is de verticale natrekking. Hierbij dicteert de bodem de eigendomssituatie van alles wat zich daarboven bevindt. Gebouwen, bomen, beplanting; de grond is de hoofdzaak. Maar het houdt niet op bij de oppervlakte. Ook de kelder of een ondergrondse parkeergarage diep in de aarde volgt juridisch de eigenaar van het perceel. Daarnaast bestaat de horizontale natrekking. Deze variant speelt op zodra een nieuw bouwwerk wordt verbonden aan een reeds bestaand gebouw op een ander perceel. Denk aan een uitbouw die constructief rust op de muur van de buren of een overstek dat boven andermans grond hangt. De vraag is dan welk object als 'hoofdzaak' fungeert. Vaak versmelt de aanbouw juridisch met het pand waar het functioneel en constructief het meest bij hoort, ongeacht de kadastrale grens. Dit leidt regelmatig tot complexe grensgeschillen waarbij de feitelijke bouw de eigendomsgrenzen overschrijdt.

De juridische splijting door opstalrecht

Natrekking is geen onwrikbaar natuurverschijnsel, maar een wettelijk uitgangspunt dat doorbroken kan worden. Dit gebeurt via het recht van opstal. Het is de enige manier om een juridische scheiding aan te brengen tussen de eigendom van de grond en de gebouwen die erop staan. Zonder dit recht wint de grond altijd. Stel je een energieleverancier voor die een transformatorstation op het terrein van een fabriek plaatst. Zonder vestiging van een opstalrecht wordt de fabriekseigenaar direct eigenaar van de installatie. Het opstalrecht fungeert hier als een juridische barrière. Het voorkomt dat de automatische natrekking plaatsvindt. Ook bij erfpacht zie je vaak deze constructie; de gebruiker is economisch eigenaar van het huis, maar de grond blijft van een ander. Het is een papieren realiteit die de fysieke eenheid van het bouwwerk negeert.

Bestanddeelvorming en roerende zaken

Soms is de verwarring groot tussen natrekking en de vorming van een bestanddeel. Natrekking gaat specifiek over de verbinding met de grond. Bestanddeelvorming is breder en kijkt naar wat bij een zaak hoort om als zodanig te functioneren. Een cv-ketel is een bestanddeel van een huis. Wordt de ketel verwijderd, dan is het huis incompleet volgens de verkeersopvatting. Niet alles wat op de grond staat, trekt echter na. De cruciale variabele is de duurzaamheid van de vereniging. Een bouwkeet op wielen of een verplaatsbare prefab unit die slechts met enkele bouten aan een losse tegelvloer vastzit, blijft vaak een roerende zaak. De intentie van de bouwer en de uiterlijke kenmerken bepalen het label. Is het bedoeld om jarenlang te blijven staan? Dan is de kans op natrekking nagenoeg honderd procent. Is het een tijdelijke opstelling voor de duur van een project? Dan behouden de materialen hun zelfstandigheid. De grens is dun en de discussie over wat 'duurzaam verenigd' precies betekent, vult dikke juridische dossiers.

Praktijksituaties van natrekking

De onbetaalde droomkeuken

Een keukenspeciaalzaak monteert een luxe kookeiland in een nieuwbouwwoning. De kasten worden aan de wanden verankerd, de leidingen in de vloer gefreesd en het natuurstenen blad wordt verlijmd. De koper gaat kort na installatie failliet zonder de factuur te betalen. Ondanks een eigendomsvoorbehoud in de algemene voorwaarden van de leverancier, is de keuken door natrekking eigendom geworden van de grondeigenaar of de hypotheekhouder. De keuken is nu een bestanddeel van het huis. De leverancier heeft slechts nog een vordering, maar zijn spullen is hij kwijt.

Tijdelijkheid versus duurzaamheid

Op een bouwplaats staan twee objecten: een directiekeet op wielen en een transformatorhuisje op een gestorte betonplaat. De directiekeet behoudt zijn status als roerende zaak. Je verplaatst hem immers zo met een vrachtwagen. Het transformatorhuisje daarentegen is bedoeld om decennia te blijven staan. Door de fundering en de vaste aansluitingen op het net trekt de grond dit gebouwtje direct na. Zelfs als de netbeheerder het huisje heeft geplaatst, wordt de grondeigenaar juridisch eigenaar, tenzij er een opstalrecht in de openbare registers is ingeschreven.

De grensoverschrijdende garage

Een huiseigenaar bouwt een garage tegen de zijgevel van zijn woning. Per ongeluk wordt de fundering dertig centimeter over de kadastrale grens van de buurman gestort. Horizontale natrekking treedt in werking. Omdat de garage constructief en functioneel één geheel vormt met de woning, wordt de eigenaar van de woning ook eigenaar van de garage, inclusief het stukje dat boven andermans grond hangt. Dit lost het eigendom van de stenen op, maar het geeft de buurman wel direct recht op een schadevergoeding of een vordering tot amovatie vanwege de inbreuk op zijn perceel.

Wettelijke verankering in het Burgerlijk Wetboek

De juridische grondslag van natrekking ligt besloten in Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 5:20 BW vormt de kern. Dit artikel bepaalt dat de eigendom van de grond alle gebouwen en werken omvat die duurzaam met de bodem zijn verenigd. De wet is hierin dwingend. Het is een automatisme dat niet door een simpele onderhandse overeenkomst kan worden gepasseerd. Zodra de bouwmaterialen hun zelfstandigheid verliezen en opgaan in de bodem, wijzigt de juridische status onmiddellijk.

Daarnaast speelt artikel 3:4 BW een cruciale rol bij de afbakening van wat als bestanddeel moet worden beschouwd. De wet kijkt naar twee criteria: de verkeersopvatting en de fysieke verbondenheid. Als een gebouw of installatie volgens de algemene opinie onderdeel uitmaakt van de hoofdzaak, treedt natrekking in. Of wanneer verwijdering van het object tot schade van betekenis aan een van beide zaken leidt. Dit creëert een directe koppeling tussen de fysieke bouwvoorschriften en de vermogensrechtelijke positie van partijen.

Uitzonderingen en vestiging van opstalrecht

De wet biedt een expliciete ontsnappingsroute om de automatische eigendomsovergang te blokkeren. Artikel 5:101 BW regelt het recht van opstal. Dit is een zakelijk recht. Het staat iemand toe om in, op of boven andermans onroerende zaak gebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben of te verkrijgen. Zonder deze juridische splijting is een zelfstandige eigendom van bijvoorbeeld zonnepanelen op andermans dak of een transformatorstation juridisch onmogelijk.

  • Artikel 5:20 BW: De hoofdregel voor verticale natrekking.
  • Artikel 5:101 BW: De wettelijke mogelijkheid voor doorbreking via opstalrecht.
  • Artikel 3:4 BW: De definitie van bestanddeelvorming die de reikwijdte van natrekking bepaalt.

Bij grensoverschrijdende bebouwing kan bovendien artikel 5:54 BW relevant worden. Dit artikel geeft een rechter de bevoegdheid om, indien amovatie (sloop) van het overschrijdende deel onevenredig zwaar is, een erfdienstbaarheid of eigendomsoverdracht af te dwingen tegen schadeloosstelling. Hier ontmoet de harde grens van de kadastrale registratie de praktische realiteit van de bouw.

Van Romeins dogma naar moderne verkeersopvatting

De wortels liggen diep in het Romeinse recht. Superficies solo cedit. Wat op het oppervlak staat, wijkt voor de grond. Dit was een ijzersterk principe in een overzichtelijke agrarische wereld waar een gebouw zelden meer was dan een stapeling van lokale grondstoffen. De Code Napoléon nam dit principe nagenoeg ongewijzigd over, waarna het in 1838 in het eerste Nederlandse Burgerlijk Wetboek landde. Grondbezit was toen de ultieme machtsfactor. De wet was simpel. De bodem dicteerde alles.

Toen kwam de stoommachine. De industriële revolutie zorgde voor de eerste grote barsten in de eenvoudige leer van natrekking. Fabriekshallen werden gevuld met loodzware installaties die in de fundering werden verankerd. Waren deze machines roerend goed van de fabrikant of trok de grondeigenaar de eigendom naar zich toe? Juridisch getouwtrek volgde decennialang. De rechtspraak moest de starre wetgeving uit 1838 kneden naar de nieuwe technische realiteit, waarbij de focus verschoof van pure fysieke verbondenheid naar de sociaaleconomische functie van een object.

In de twintigste eeuw evolueerde de norm verder onder invloed van grootschalige infrastructuur en systeembouw. Het jaar 1997 markeert een cruciaal ijkpunt met het Portacabin-arrest. De Hoge Raad bepaalde dat niet alleen de techniek van de verbinding telt, maar ook de bedoeling van de bouwer. Is het naar uiterlijke kenmerken bedoeld om duurzaam ter plaatse te blijven? Dan is er sprake van natrekking. Tegenwoordig daagt de circulaire bouweconomie deze eeuwenoude logica opnieuw uit; de wens voor losmaakbare en herbruikbare elementen botst frontaal op het traditionele juridische automatisme dat alles aan de bodem koppelt.

Meer over wetgeving, normen en vergunningen

Ontdek meer termen en definities gerelateerd aan wetgeving, normen en vergunningen