IkbenBint.nl

Dekvloer

Bouwkundige Onderdelen en Toebehoren D

Definitie

Een dekvloer is een niet-constructieve laag mortel die op een draagvloer wordt aangebracht om een vlakke basis te creëren voor de uiteindelijke vloerafwerking of om leidingen weg te werken.

Omschrijving

De dekvloer vormt de cruciale schakel tussen de ruwe constructievloer en de uiteindelijke vloerbedekking zoals parket, tegels of gietvloeren. In de praktijk wordt deze laag vaak de 'smeervloer' genoemd, verwijzend naar de ambachtelijke verwerking van zandcement. Hoewel de dekvloer niet bijdraagt aan de hoofddraagconstructie van een gebouw, is de kwaliteit ervan bepalend voor het succes van de afbouw. Hij vlakt oneffenheden uit de betonvloer uit en brengt de vloer precies op de gewenste hoogte ten opzichte van drempels en kozijnen. Bovendien fungeert de dekvloer als omhulling voor installaties; vloerverwarmingsbuizen, elektra en waterleidingen liggen veilig ingebed in deze massa. De dikte en samenstelling variëren afhankelijk van de gestelde eisen aan thermische isolatie, geluidsreductie en mechanische belasting.

Verwerking en applicatie

Verwerking en applicatietechnieken

De uitvoering start bij de conditie van de ondergrond. Men maakt een fundamentele keuze tussen een direct gehechte laag of een zwevende opbouw op isolatie of folie. Soms is een aanbrandmortel nodig. Dan komt de specie. Bij de traditionele zandcementmethode wordt de aardvochtige mortel met pompen naar de juiste verdieping getransporteerd en handmatig tussen vooraf uitgezette peilpunten verdeeld. Het vraagt precisie. Met een aluminium reibalk vlakt de verwerker de massa af, waarbij de beweging zowel zijwaarts als trekkend is om een gesloten oppervlak te verkrijgen.

Vloeidekvloeren volgen een ander proces. Hierbij wordt een vloeibare mortel naar binnen gepompt die door zijn eigen gewicht en vloeibaarheid de ruimte vult. Het nivelleren gebeurt dan met een drijfrei, een handeling die luchtinsluitingen verwijdert en de vloeistof aanzet tot egalisatie. De massa vindt zijn eigen weg. Na het bereiken van de gewenste hoogte volgt de droogfase. Bij zandcementvloeren kan een mechanische nabewerking, het zogenaamde vlinderen, de toplaag extra verdichten. Dit sluit de poriën. De droogtijd is vervolgens afhankelijk van de dikte en de omgevingscondities; te snelle uitdroging wordt in de praktijk vaak beheerst door de ruimte tijdelijk af te sluiten voor tocht of door de vloer af te dekken met folie.

Materiaalsamenstelling en bindmiddelen

De keuze voor een specifiek type dekvloer hangt nauw samen met het gebruikte bindmiddel. Zandcement is de klassieker. Deze mortel, een mengsel van cement, zand en water, is uitermate geschikt voor natte ruimtes zoals badkamers en voor situaties waar de vloer op afschot moet liggen. Men noemt dit vaak een cementdekvloer. Daartegenover staat de anhydrietvloer. Hierbij dient gips (calciumfosfaat) als bindmiddel. Het grote voordeel? De krimp is minimaal. Hierdoor kunnen enorme oppervlakken zonder dilataties worden gestort, mits de ruimte droog blijft, want gips en vocht zijn geen goede combinatie.

Voor specialistische renovaties bij monumenten of houten vloerconstructies wordt soms nog magnesiet gebruikt. Dit is een lichtgewicht dekvloer op basis van magnesiumoxide en houtspaanders. Zeer licht. Ideaal voor oude balklagen die weinig extra gewicht kunnen verdragen. In industriële omgevingen ziet men vaker gietasfalt, dat direct na afkoeling belastbaar is en geen water bevat, wat het droogproces volledig elimineert.

Functionele indeling en constructieve opbouw

Niet elke laag ligt op dezelfde manier op de ondergrond. De technische functie bepaalt de variant. Een hechtende dekvloer wordt direct op de draagvloer aangebracht, vaak met een hechtlaag of aanbrandmortel, om een star geheel te vormen. Dit is de standaard bij dunne lagen. Is de ondergrond vervuild of is er risico op optrekkend vocht? Dan kiest men voor een niet-hechtende dekvloer. Hierbij ligt een scheidingslaag, meestal een PE-folie, tussen de constructie en de mortel.

Een veelvoorkomende variant in de moderne woningbouw is de zwevende dekvloer. Deze ligt op een laag isolatiemateriaal. Thermisch of akoestisch. De dekvloer heeft hierbij geen enkel direct contact met de wanden of de constructievloer, wat cruciaal is om contactgeluid naar de buren te minimaliseren. Randstroken langs de muren voorkomen hierbij dat de vloer alsnog 'lekt' naar de constructie. Zonder die stroken is de hele zwevende constructie zinloos.

Onderscheid met egalisatieproducten

Er ontstaat vaak verwarring tussen een dekvloer en een egalisatievloer. Dat is onterecht. Een dekvloer is een substantiële laag, meestal tussen de 30 en 70 millimeter dik, bedoeld om hoogte te winnen en leidingen weg te werken. Egalisatie is echter een dunne vloeilaag van slechts enkele millimeters. Het dient puur om de dekvloer spiegelglad te maken voor bijvoorbeeld pvc of linoleum. Een dekvloer is de basis; egalisatie is de finishing touch. Termen als 'smeervloer' worden in de volksmond vrijwel uitsluitend voor de zandcementvariant gebruikt, terwijl 'vloeivloer' meestal naar anhydriet of vloeicement wijst.

Praktijksituaties en toepassingen

In een badkamerrenovatie is de dekvloer direct zichtbaar als de 'shaping' laag. De vakman brengt hier zandcement aan met een specifiek verhang richting de drain. Afschotmortel. Zonder deze nauwkeurige smering zou het douchewater later op de tegels blijven staan, een bouwfout die lastig te herstellen is.

Bij een nieuwbouwwoning met vloerverwarming fungeert de dekvloer als thermische batterij. Je ziet eerst een woud aan kunststof leidingen op de constructievloer liggen. De vloeispecie wordt naar binnen gepompt en omsluit deze buizen volledig. De kamer verandert in korte tijd van een installatietechnische wirwar in een strakke, grijze vlakte die precies aansluit op de stelkozijnen van de deuren.

In appartementencomplexen herken je de zwevende dekvloer aan de kenmerkende randstroken. Dit zijn stroken van polyethyleenschuim die tussen de dekvloer en de wanden uitsteken. Ze voorkomen dat de mortel tijdens het storten contact maakt met de muren. Dit detail is cruciaal; één harde verbinding is genoeg om de geluidsisolatie voor de onderburen teniet te doen.

Een winkelpand in de ruwbouwfase toont vaak de 'kale' dekvloer. De ruwe betonvloer is verdwenen onder een laag die nog moet uitharden. Je ziet hier vaak de aanzet van de reibalk nog in het oppervlak staan. Pas wanneer de vloerlegger komt voor het egaliseren en het verlijmen van de uiteindelijke PVC-stroken, is deze basislaag niet meer te zien.

Normatieve kaders en wettelijke prestaties

Kwaliteitsborging en normering

Regels zijn niet vrijblijvend. De NEN-EN 13813 vormt de Europese ruggengraat voor alle dekvloermaterialen. Het specificeert de druksterkte en buigtreksterkte van de mortel. Cruciaal voor de stabiliteit. In de Nederlandse praktijk leunt men echter zwaar op de NEN 2741. Deze norm stelt de kaders voor de uitvoering van cement- en anhydrietgebonden dekvloeren. Vlakheidsklassen zijn hierin de graadmeter voor kwaliteit. Een afwijking van slechts enkele millimeters kan het verschil betekenen tussen een spiegelgladde afwerking en een kostbare hersteloperatie. Klasse 1 voor het fijnste werk. Klasse 2 voor de standaard woningbouw.

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) kijkt naar de functionele output van de gebouwschil en de interne scheidingen. Vooral geluidsisolatie staat centraal. In appartementencomplexen is een contactgeluidreductie van minimaal 10 dB (ΔLlin) vaak de ondergrens. Dit maakt de zwevende dekvloer tot een technische noodzaak. Geen direct contact met de constructie. Randstroken zijn hierbij geen vrijblijvend advies, maar een verplichting om geluidslekken te voorkomen. Een enkele mortelbrug tussen de vloer en de wand maakt de hele constructie ongeldig volgens de regelgeving. Brandveiligheid is eveneens verankerd; minerale dekvloeren vallen doorgaans in brandklasse A1fl. Dit betekent dat ze onbrandbaar zijn en niet bijdragen aan branduitbreiding. Het voldoen aan deze technische standaarden is de enige weg naar een oplevering zonder juridische gebreken.

Historische ontwikkeling

De behoefte aan een vlakke loopvloer is oud. Al in de Romeinse tijd kende men mengsels van kalkmortel en vergruisd aardewerk, het zogenoemde opus signinum, om ruwe funderingen af te dekken en waterdicht te maken. Het was zwaar werk. Eeuwenlang bleven vloeren echter vaak deels constructief of bestonden ze simpelweg uit aangestampte aarde of natuursteen. De echte technische versnelling kwam met de introductie van Portlandcement in de negentiende eeuw.

Toen beton de standaard werd voor draagvloeren, ontstond de noodzaak voor een aparte afwerklaag om de ruwe grindstructuur te maskeren. De klassieke zandcementdekvloer werd geboren. Tot diep in de twintigste eeuw was dit een puur handmatige aangelegenheid waarbij specie met kruiwagens naar binnen werd gebracht en op de knieën vlak werd gesmeerd. Een fysieke uitputtingsslag.

De jaren zeventig brachten verandering. De energiecrisis dwong tot isolatie en efficiëntere verwarmingsmethoden, waardoor de dekvloer plotseling een nieuwe rol kreeg als omhulling voor vloerverwarmingsbuizen. De materiaalkunde stond niet stil. In de jaren tachtig deed de anhydrietvloer zijn intrede in de Nederlandse woningbouw. Vloeibare mortels op basis van calciumsulfaat boden een antwoord op de vraag naar grotere, krimpvrije oppervlakken en een snellere verwerkingstijd. De ambachtsman werd operator van de mengpomp. Tegenwoordig bepalen geluidsnormen en thermische prestaties de evolutie, waarbij de dekvloer steeds vaker als een 'zwevende' schijf volledig losgekoppeld wordt van de hoofddraagconstructie.

Meer over bouwkundige onderdelen en toebehoren

Ontdek meer termen en definities gerelateerd aan bouwkundige onderdelen en toebehoren