Lichtdoorlaat
Definitie
Lichtdoorlaat is de verhouding tussen de op een constructieonderdeel invallende hoeveelheid zichtbaar licht en de hoeveelheid die daar daadwerkelijk doorheen gaat, uitgedrukt in de τv-waarde.
Omschrijving
Bepaling en toepassing in het ontwerp
Vaststelling en technische integratie
In het laboratorium staat de spectrofotometer centraal. Fabrikanten meten hiermee de precieze lichtstroom die door een glasplaat dringt binnen het bereik van 380 tot 780 nanometer. Dit gebeurt onder een loodrechte invalshoek. Conform de NEN-EN 410. De waarde die hieruit rolt, de τv-waarde, verhuist van het testrapport direct naar de technische databladen. Architecten en daglichtadviseurs nemen dit getal vervolgens op in complexe rekenmodellen. Het is geen losstaand gegeven. Men simuleert hiermee hoe het licht zich door de gevel naar de verste hoeken van een ruimte beweegt.
Er wordt gezocht naar balans. Bij de keuze voor triple glas wordt de berekening kritischer, omdat extra glasbladen de lichttransmissie onvermijdelijk beperken. Men toetst de theoretische lichtopbrengst aan de normen voor visueel comfort en gezondheid. In de praktijk fungeert de gecertificeerde waarde van het glas als de harde basis voor de formele daglichtberekening die nodig is voor de omgevingsvergunning. Het is een technisch proces van specificeren, rekenen en controleren. Het documenteren van deze prestaties vormt een vast onderdeel van de kwaliteitsborging binnen het bouwproject. Geen giswerk, maar pure optica.
Variaties in transmissie en materiaalspecifieke eigenschappen
Lichtdoorlaat is geen eenvormig begrip. De wijze waarop straling een oppervlak passeert, hangt sterk af van de moleculaire structuur en oppervlaktebehandeling van het materiaal. In de basis onderscheiden we directe en diffuse lichtdoorlaat. Bij direct invallend licht op helder floatglas blijft de richting van de lichtstraal nagenoeg ongewijzigd. Dit biedt scherp zicht. Diffuse lichtdoorlaat daarentegen, veelal toegepast in industriële sheddaken of bij privacyglas, breekt de lichtstralen. Materialen zoals opaal polycarbonaat of gezandstraald glas zorgen voor een gelijkmatige spreiding van het daglicht in de ruimte. Schaduwen verzachten. De hinderlijke reflectie op beeldschermen verdwijnt grotendeels.
Functionele selectiviteit en dynamiek
Zonwerend glas vormt een technisch hoogstandje binnen de varianten van lichtdoorlaat. Hierbij draait de focus om de selectiviteit van de coating. Fabrikanten brengen microscopisch dunne metaallagen aan die specifiek ontworpen zijn om het zichtbare spectrum door te laten, terwijl de energetische waarde van de zon (infrarood) wordt gereflecteerd. Een hoge τv-waarde wordt hier gecombineerd met een lage g-waarde. Dit is pure engineering op de vierkante nanometer. Een andere, opkomende categorie is dynamische lichtdoorlaat. Denk aan elektrochroom glas. Door een lage elektrische spanning te zetten op een actieve laag, verandert de lichtdoorlaatbaarheid van het glasoppervlak. Het glas kleurt donkerder. De gebruiker reguleert hiermee de lichtinval zonder fysieke zonwering. Soms volstaat een simpele kunststof plaat. Acrylaat of ETFE-folies hebben vaak een hogere lichtdoorlaat dan dikke pakketten gelaagd glas, wat ze populair maakt voor overkappingen en atria waar maximale lichtopbrengst een vereiste is.
Praktijksituaties en toepassingen
Een modern kantoorpand met kamerhoge vliesgevels op het zuidwesten. Hier zie je de theorie in actie. De architect specificeert zonwerend glas met een τv-waarde van precies 0,60. Het resultaat? Een interieur dat baadt in natuurlijk licht zonder dat de airconditioning overuren draait door invallende zonnehitte. De selectiviteit van de coating zorgt dat het zichtbare licht binnenkomt, terwijl de warmte buiten blijft.
- Distributiecentra: In grote hallen zie je vaak sheddaken met opaal polycarbonaat. De lichtdoorlaat is hier bewust diffuus. Geen harde lichtvlekken of verblindende reflecties op scanners, maar een gelijkmatig verlichte werkvloer.
- Woningbouw: Bij de overstap van HR++ naar triple glas in een rijtjeshuis. De bewoner merkt dat het binnen iets 'blauwer' of donkerder oogt. Dat klopt. De extra glaslaag en extra coatings reduceren de lichtdoorlaat van pakweg 0,80 naar 0,71. Een klein verschil op papier, een wereld van verschil in beleving op een grijze winterdag.
- Etalages: Winkeliers in het luxe segment eisen vaak extra helder glas (low-iron). De lichtdoorlaat ligt hier extreem hoog, vaak boven de 0,90. Kleuren van kledingstukken blijven natuurgetrouw. Geen groene zweem die de presentatie verstoort.
Denk ook aan een atrium in een ziekenhuis. ETFE-luchtkussens overspannen de ruimte. Lichtgewicht. De lichtdoorlaat is hier hoger dan bij dik veiligheidsglas, waardoor bomen en planten binnen daadwerkelijk kunnen groeien. De techniek dient hier de biologie.
Wetgeving en normering rondom lichttransmissie
BBL en de rekensom van NEN 2057
De wet dwingt. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) bepaalt de ondergrens voor daglicht in elk nieuw gebouw. Geen nattevingerwerk. De NEN 2057 dicteert de exacte rekenmethode. In deze norm is de lichtdoorlaat — vaak de LTA-waarde genoemd — een kritieke variabele voor het bepalen van de equivalente daglichtoppervlakte. Wie kiest voor glas met een lage τv-waarde, moet compenseren. Dat betekent grotere raampartijen om aan de minimale eis van 0,5 m² voor woning-verblijfsgebieden te komen. Het is een technisch steekspel tussen architectuur en regelgeving.
Arbo-eisen en energieprestatie
Werknemers hebben recht op daglicht. De Arbowet stelt dit als basisvoorwaarde voor een gezonde werkplek. Hoewel de wet geen harde getallen plakt op de τv-waarde, stuurt de NEN-EN 12464-1 indirect de keuze voor glasprestaties door eisen te stellen aan lux-niveaus en visueel comfort. Een te lage lichtdoorlaat verhoogt de afhankelijkheid van kunstverlichting. Dit raakt direct de BENG-berekening. Energiezuinigheid en lichtdoorlaat zijn communicerende vaten. De wetgever verlangt een integraal ontwerp waarbij daglichttoetreding de koellast niet onnodig opjaagt, maar wel de energievraag voor verlichting minimaliseert.
Historische ontwikkeling van lichttransmissie
Van ambacht naar industrieel filter
De introductie van het floatglasprocedé door Pilkington in 1952 markeert het nulpunt van de moderne lichttransmissie. Voor het eerst was glas optisch zuiver en over de gehele plaat even dik. De focus verschoof echter radicaal na de oliecrisis van 1973. Waar glas voorheen enkel een barrière tegen wind en regen was, veranderde het in een thermisch schild. De opkomst van metaalcoatings (Low-E) in de jaren tachtig introduceerde een nieuw fenomeen: het selectieve filter. Men ontdekte dat thermische winst ten koste ging van de zichtbare lichtdoorlaat. Dit spanningsveld dwong tot standaardisatie. Het leidde tot de formalisering van de τv-waarde in internationale normen zoals de NEN-EN 410. In de hedendaagse bouwpraktijk is lichtdoorlaat geen statisch gegeven meer. Sinds de jaren negentig heeft de digitalisering van daglichtberekeningen ervoor gezorgd dat de τv-waarde niet langer een losstaand getal op een productblad is, maar een integraal onderdeel van softwarematige simulaties. De geschiedenis van lichtdoorlaat is hiermee de geschiedenis van de beheersing van het elektromagnetisch spectrum in de gebouwde omgeving. Van ongecontroleerde lichtinval naar precisie-optica.Meer over bouwkundige onderdelen en toebehoren
Ontdek meer termen en definities gerelateerd aan bouwkundige onderdelen en toebehoren