IkbenBint.nl

Lichttoetredingsfactor

Installaties en Energie L

Definitie

Getal tussen 0 en 1 dat de verhouding weergeeft tussen de invallende lichtstroom en de doorgelaten lichtstroom door een transparant bouwelement.

Omschrijving

De lichttoetredingsfactor, in de handel vaak LTA-waarde genoemd, bepaalt hoe effectief daglicht een gebouw binnendringt. Glas is namelijk nooit volledig transparant; reflectie en absorptie eisen altijd hun tol. Een factor van 0,70 betekent simpelweg dat 70 procent van het zichtbare zonlicht de binnenruimte bereikt. Architecten en adviseurs gebruiken deze waarde om het visueel comfort te berekenen en de afhankelijkheid van kunstlicht te minimaliseren. Het is een technisch steekspel. Coatings die warmte weren, verlagen vaak ook de lichttoetreding, wat kan leiden tot een somber binnenklimaat als er niet kritisch naar de glasopbouw wordt gekeken.

Bepaling en praktische toepassing

De vaststelling van de lichttoetredingsfactor start bij spectrofotometrische analyses in een laboratoriumsetting. Men projecteert lichtstralen door een glasmonster om de transmissie te registreren over het gehele zichtbare spectrum. Dit loopt van 380 tot 780 nanometer. Fabrikanten stemmen de dikte van metaaloxidecoatings tijdens het sputterproces nauwgezet af op de beoogde helderheid. Het is precisiewerk op nanoschaal. In de bouwpraktijk worden deze verkregen waarden ingevoerd in rekenmodellen voor de energieprestatie en daglichttoetreding. De ruit fungeert hierbij als een selectief filter in de gebouwschil.

Tijdens de realisatie vindt controle plaats via technische fiches en de coderingen op de afstandhouders van het isolatieglas. Soms volgt een praktijkverificatie. Men hanteert dan gekalibreerde luxmeters. Eén sensor meet de invallende lichtsterkte aan de buitenzijde, terwijl de tweede gelijktijdig de resterende lichtstroom direct achter de beglazing registreert. De verhouding tussen deze metingen bevestigt de werkelijke prestatie onder specifieke atmosferische omstandigheden. Geen theoretische exercitie. Fysieke realiteit op de bouwplaats.

Classificaties en terminologie

In de dagelijkse bouwpraktijk vallen de termen LTA en LT vaak door elkaar. Terwijl Nederland zweert bij de afkorting LTA, hanteert de internationale normering NEN-EN 410 liever de term LT (Light Transmittance). Ze duiden exact hetzelfde aan: de doorlaat van het zichtbare deel van het spectrum. Verwarring ontstaat pas echt wanneer de Zontoetredingsfactor (g-waarde of ZTA) in het spel komt. Waar de LTA-waarde uitsluitend over zichtbaar licht gaat, kijkt de g-waarde naar de totale zonne-energie, inclusief de onzichtbare warmtestraling. Een ruit kan een lage g-waarde hebben en toch een relatief hoge lichttoetreding behouden; dit noemen we een selectieve coating.

De prestaties variëren sterk per glassamenstelling. De markt onderscheidt verschillende gradaties die direct invloed hebben op de beleving van een ruimte:

GlastypeKenmerkende LTA-waardeToelichting
Standaard HR++ isolatieglasca. 0,80Basisopbouw met een dunne metaaloxide-coating.
Zonwerend glas0,40 - 0,70Coatings filteren actief warmte en licht.
Extra blank glas (Low-iron)> 0,90Minimale ijzeroxide voorkomt de typische groene glaslook.
Triple glas (3-bladig)0,60 - 0,75Extra glasbladen en coatings vreten noodgedwongen licht.

Selectiviteit vormt een cruciale afgeleide waarde voor de adviseur. Het is de verhouding tussen LTA en de g-waarde. Deel je de lichttoetreding door de zonnetoetreding, dan krijg je dit getal. Een waarde boven de 2,0 wordt gezien als technisch superieur. Het resultaat? Veel daglicht zonder dat de airconditioning overuren draait. Bij restauraties van musea wordt echter vaak bewust gekozen voor glas met een lagere factor. Men wil daar immers schadelijke uv-straling en overmatige helderheid op kunstwerken vermijden. Het is geen kwestie van 'hoe hoger hoe beter', maar van de juiste balans vinden voor de specifieke gebruiksfunctie. Soms is minder licht simpelweg wenselijker.

De lichttoetredingsfactor in de praktijk

Een glazen kantoortoren vangt de volle middagzon. Architecten eisen hier glas met een hoge selectiviteit. Men wil immers geen zonnebril opzetten achter het bureau, maar de koelinstallatie mag niet overuren draaien. De keuze valt op een ruit met een LTA-waarde van 0,65 en een g-waarde van 0,32. Dat is de balans tussen visueel comfort en thermische beheersing. Veel daglicht, weinig hitte.

In een museumgalerij liggen de kaarten anders. Te veel licht is daar een vijand. De conservator kiest bewust voor beglazing met een lagere LTA-waarde. Dit filtert de agressieve straling. Het resultaat? Een ingetogen sfeer waarbij de kwetsbare pigmenten van de schilderijen niet verbleken. Minder licht is hier winst.

Een particuliere woning wordt verduurzaamd. Triple glas vervangt het oude dubbelglas. De bewoner merkt op dat de woonkamer bij bewolkt weer iets donkerder aanvoelt. De fysica liegt niet. Drie glasbladen en extra coatings vreten simpelweg licht weg. De LTA zakt van 0,80 naar 0,70. Een bewuste ruil: een fractie minder daglicht voor een flink lagere energierekening.

Bij een exclusieve kledingboetiek telt alleen de kleurechtheid. De eigenaar kiest voor extra blank glas met een LTA-waarde boven de 0,90. Door het extreem lage ijzergehalte verdwijnt de typische groenige zweem van de ruit. Passanten zien de stoffen exact zoals ze bedoeld zijn. Glas dat bijna onzichtbaar wordt.

Wetgeving en normering rondom daglicht

Wettelijke kaders

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) vormt de juridische basis voor de daglichteisen in de Nederlandse bouw. Verblijfsruimten moeten voldoen aan een minimale equivalente daglichtoppervlakte. Dit is geen statisch getal gebaseerd op louter vierkante meters glas. De lichttoetredingsfactor van de beglazing speelt hierin een dwingende hoofdrol. Een ruit met een lage LTA-waarde reduceert de effectieve daglichtinval. Dit dwingt de ontwerper vaak tot grotere raampartijen om de wettelijke ondergrens te halen. Geen daglicht, geen woonvergunning.

Geen berekening zonder NEN 2057. Deze norm legt de methodiek vast voor het bepalen van de daglichttoetreding in gebouwen en in deze systematiek fungeert de LTA-waarde als een cruciale correctiefactor voor de doorlaatbaarheid van de schil. Bij een waarde lager dan 0,60 moet de uitkomst van de daglichtberekening lineair worden gecorrigeerd; dat heeft direct gevolgen voor de vergunningsverlening bij de gemeente. Slecht presterend glas vereist simpelweg meer glasoppervlak in de gevel om aan de gezondheidseisen te voldoen.

Productnormering en energieprestatie

De vaststelling van de factor zelf gebeurt volgens NEN-EN 410. Deze Europese normering waarborgt dat fabrikanten hun glas op identieke wijze testen en declareren zodat adviseurs appels met appels kunnen vergelijken. Onmisbaar voor de bouwkwaliteit. De LTA-waarde is bovendien nauw verweven met de energieprestatie-eisen van de BENG.

De relatie tussen licht en warmte is een technische koorddans:

  • TOjuli: Een hoge lichttoetreding gaat vaak hand in hand met een hogere zontoetreding wat het risico op oververhitting in de zomer vergroot en de koellast verzwaart.
  • Arbowetgeving: Voor utiliteitsgebouwen gelden specifieke richtlijnen voor visueel comfort en voldoende daglicht op de werkvloer om verzuim tegen te gaan.
  • BRL: Kwaliteitsverklaringen borgen dat de op de bouw geleverde ruiten ook echt de beloofde prestaties leveren.

Handhaving vindt plaats tijdens de bouwplantoetsing. De architect overlegt een daglichtberekening waarin de specifieke LTA-waarden van de gekozen ruiten zijn verwerkt en afwijken van de opgegeven waarden tijdens de uitvoering is riskant omdat het kan leiden tot een gebouw dat simpelweg niet voldoet aan de minimale eisen voor een gezond binnenklimaat. Strenge controle op de technische fiches van de glasleverancier is daarom bittere noodzaak.

Van ambachtelijke ruit naar optisch filter

Voor de industrialisatie was glas een grillig natuurproduct. Transparantie was geen keuze maar een toevalstreffer van de oven. Ambachtelijk getrokken glas of cilinderglas bevatte onzuiverheden die het licht braken en absorbeerden, waardoor een kwantitatieve factor zoals we die nu kennen simpelweg niet bestond. Architecten uit de negentiende eeuw werkten met wat de glasblazer bood. Pas met de uitvinding van het floatglasprocédé door Pilkington in de jaren vijftig ontstond er een constante basiskwaliteit. De ruit werd een voorspelbaar industrieel product. Helderheid werd de standaard. De behoefte aan een specifieke factor groeide pas toen we glas gingen aanpassen om energie te besparen.

De invloed van de energiecrisis

De jaren zeventig markeerden een kantelpunt in de glashistorie. De oliecrisis dwong de bouw tot isolatie. Dubbelglas werd gemeengoed, maar de eerste generatie coatings maakte ruiten vaak donker of gaven ze een ongewenste reflectie. Ingenieurs zochten naar een methode om de prestaties van dit nieuwe glasobjectief vast te leggen. Men moest de visuele helderheid scheiden van de thermische eigenschappen. Hierdoor verschoof de focus van 'hoeveel glas hebben we' naar 'wat doet dit glas met het spectrum'. De introductie van de magnetron-sputtertechnologie in de jaren tachtig en negentig maakte het mogelijk om metaaloxidecoatings op nanoschaal aan te brengen. De lichttoetredingsfactor werd de cruciale waarde om te voorkomen dat gebouwen veranderden in donkere bunkers met een lage energierekening.

Normalisatie en de opkomst van selectiviteit

Europese eenwording bracht orde in de technische chaos. De publicatie van de norm NEN-EN 410 legde de rekenregels onomstotelijk vast. Geen nattevingerwerk meer. Fabrikanten werden gedwongen hun waarden op identieke wijze te berekenen tussen 380 en 780 nanometer. De laatste decennia verschoof de ontwikkeling naar extreme selectiviteit. We leerden het licht te manipuleren. De geschiedenis van de lichttoetredingsfactor is daarmee de geschiedenis van de beheersing van het zonnespectrum. Van een simpele doorzichtige vulling evolueerde de ruit naar een complex filter dat exact bepaalt welke golflengtes de drempel overstappen. Moderne gebouwschillen zijn het resultaat van deze decennialange jacht op de perfecte balans tussen lichtwinst en warmteverlies.

Meer over installaties en energie

Ontdek meer termen en definities gerelateerd aan installaties en energie